WETSVOORSTEL
BELGISCHE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS
tot wijziging van de regelgeving wat het vrijwilligerswerk van personen met een arbeidsongeschiktheid betreft
SAMENVATTING
De indiensters wensen de rechtsonzekerheid weg te nemen voor personen met een arbeidsongeschiktheid die vrijwilligerswerk verrichten. Daarom stellen zij een voorafgaande meldingsplicht voor.
DAMES EN HEREN,
Dit wetsontwerp heeft tot doel: — de rechtsonzekerheid voor de arbeidsongeschikte verzekerde die vrijwilligerswerk uitoefent weg te nemen; — sociale drama’s te vermijden. Een verzekerde die in het genot is van uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid kan tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid zogenaamd vrijwilligerswerk (in de zin van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers) uitoefenen. Enerzijds bestaat er geen verplichting in hoofde van de arbeidsongeschikte verzekerde om hiervan (voorafgaandelijk) melding te maken ten aanzien van (de adviserend geneesheer van) zijn ziekenfonds, noch ten aanzien van een andere instantie.
Anderzijds bepalen de artikelen 100, § 1, tweede lid van de wet van 14 juli 1994 (algemene regeling) en artikel 19 tweede lid van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 (regeling van de zelfstandigen) dat de uitgeoefende activiteit niet beschouwd wordt als een ‘werkzaamheid’ (wet van 14 juli 1994) of een beroepsbezigheid (koninklijk besluit van 20 juli 1971):
— indien de uitgeoefende activiteit voldoet aan de voorwaarden van de wet van 3 juli 2005 (voorwaarde 1) en — indien de adviserend geneesheer van het ziekenfonds van de uitkeringsgerechtigde oordeelt dat de activiteit verenigbaar is met de algemene gezondheidstoestand van betrokkene (voorwaarde 2). Met andere woorden, indien aan één van de genoemde voorwaarden niet voldaan is, dan wordt de uitgeoefende activiteit wél beschouwd als een werkzaamheid in de zin van de wet van 14 juli 1994 of als een beroepsbezigheid in de zin van het koninklijk besluit van 20 juli 1971. Dit heeft tot gevolg dat de arbeidsongeschikte verzekerde met terugwerkende kracht geconfronteerd wordt met:
a. een terugvordering van ten onrechte betaalde uitkeringen (in het kader van artikel 164 van de wet van 14 juli 1994);
b. administratieve sancties (opgelegd door de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering in toepassing van het artikel 168quinquies van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994) of strafrechtelijke boetes of vrijheidsstraffen (opgelegd door de correctionele rechtbank in toepassing van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen, af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen). Wij beogen om zowel in de algemene regeling als in de regeling van de zelfstandigen:
1. De beoordeling van de adviserend geneesheer met betrekking tot “de verenigbaarheid van het vrijwilligerswerk met de algemene gezondheidstoestand van betrokkene” op te heffen. Reeds met de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen (artikel 140) werd de verenigbaarheid met de algemene gezondheidstoestand opgeheven als voorwaarde bij de beoordeling van activiteiten die uitgeoefend werden tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid. Het is bijgevolg niet opportuun deze voorwaarde te blijven gebruiken ten aanzien van de arbeidsongeschikte die vrijwilligerswerk uitoefent. De adviserend geneesheer behoudt trouwens zijn volle beoordelingsvrijheid in het kader van de artikelen 90 en 94 van de wet van 14 juli 1994;
2. Voor de arbeidsongeschikte verzekerde een voorafgaande meldingsplicht in te voeren. Dergelijke meldingsplicht moet de arbeidsongeschikte verzekerde een afdoende bescherming bieden in geval van het uitoefenen van vrijwilligerswerk in de zin van de wet van 3 juli 2005;
3. te voorzien in een termijn van zes maanden om de procedure met betrekking tot deze meldingsplicht uit te werken.
Nadia SMINATE (N-VA)
Karolien GROSEMANS (N-VA)
Zuhal DEMIR (N-VA)
Miranda VAN EETVELDE (N-VA)
WETSVOORSTEL
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Artikel. 2
In artikel 100, § 1 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 juli 2006, wordt het tweede lid vervangen door de twee volgende leden: “De arbeidsongeschikte verzekerde kan met behoud van uitkeringen vrijwilligerswerk in de zin van de wet van 3 juli 2005 uitoefenen, op voorwaarde dat hij dit vooraf en schriftelijk aangeeft bij zijn verzekeringsinstelling.De Koning bepaalt:
1° de nadere regels voor de aangifteprocedure en voor de procedure die toepasselijk is indien de uitoefening van de activiteit met behoud van uitkeringenverboden wordt;
2° onder welke voorwaarden vrijstelling van aangifte van bepaalde activiteiten kan verleend worden, inzonderheid indien in het algemeen kan worden vastgesteld dat de betreffende activiteiten beantwoorden aan de definitie van vrijwilligerswerk;
3° onder welke voorwaarden de afwezigheid van een voorafgaande aangifte niet leidt tot het verlies van uitkeringen.”.
Artikel. 3
In artikel 19 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 juni 2007, wordt het tweede lid vervangen door de twee volgende leden: “De arbeidsongeschikte verzekerde kan met behoud van uitkeringen vrijwilligerswerk in de zin van de wet van 3 juli 2005 uitoefenen, op voorwaarde dat hij dit vooraf en schriftelijk aangeeft bij zijn verzekeringsinstelling.
De Koning bepaalt:
1° de nadere regels voor de aangifteprocedure en voor de procedure die toepasselijk is indien de uitoefening van de activiteit met behoud van uitkeringen verboden wordt;
2° onder welke voorwaarden vrijstelling van aangifte van bepaalde activiteiten kan verleend worden, inzonderheid indien in het algemeen kan worden vastgesteld dat de betreffende activiteiten beantwoorden aan de definitie van vrijwilligerswerk;
3° onder welke voorwaarden de afwezigheid van een voorafgaande aangifte niet leidt tot het verlies van uitkeringen.”.
Artikel. 4
Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de zesde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.