Mondelinge vraag inzake de decompressie van militairen na een buitenlandse missie

26 april 2011

Mondelinge vraag van mevrouw Karolien Grosemans aan de minister van Landsverdediging over "de decompressie van militairen na een buitenlandse missie" (nr. 9039)

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, psychologische nazorg is noodzakelijk bij militairen als wij het risico op posttraumatische stressstoornis na een intense buitenlandse missie willen verminderen. Militairen hebben nood aan een periode om hun traumatische ervaringen te verwerken.

Ik heb vernomen dat Defensie voor een derde maal de decompressie- en adaptatieperiode heeft afgekeurd. Het belang van een goede opvang van onze militairen na een buitenlandse missie mag absoluut niet worden verwaarloosd. Onze militairen worden steeds meer op buitenlandse missie gestuurd en verdienen de beste zorgen.

Op basis van welke criteria beoordeelt Defensie het voorstel van een decompressieprogramma?

Aan welke criteria was in het derde voorstel niet voldaan?

Komt u met een tegenvoorstel? Zo ja, wanneer kunnen wij dat verwachten?

Welke extra maatregelen zult u nemen zodat onze militairen een degelijke psychologische ondersteuning krijgen?

Minister Pieter De Crem: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Grosemans, ik heb in verschillende commissies voor Landsverdediging, op 6 januari en op 20 oktober 2010, op 26 april 2011 en op 17 januari 2012, verklaard, dat ik niet tegen een dergelijk voorstel ben, voor zover het de bestaande opvangmogelijkheden aanvult.

Defensie beschikt namelijk al over een team van raadgevers voor mentale operationaliteit, over aalmoezeniers, maatschappelijke assistenten, een platform voor psychosociaal overleg, een dienst trauma in het militair hospitaal, gezinsdagen, specifieke infrastructuren in de centra Paola en Mathilde, en over een groen telefoonnummer.

Tijdens de laatste weken van hun opdracht in het buitenland, nemen alle militairen deel aan workshops, die hen voorbereiden op hun terugkeer. Zij ontvangen brochures, waarin hulp van Defensie wordt aangeboden. Er worden aanbevelingen gedaan met betrekking tot het wederzien met hun familie en met betrekking tot aanwijzingen tot mogelijke psychische problemen.

Militairen die klachten hebben of psychische stoornissen zouden tonen, worden systematisch opgevolgd door het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg van het militair hospitaal Koningin Astrid. In 2011 werden in het centrum 272 militairen onderzocht, waarvan sommigen uit operatiezones terugkwamen. 9 militairen leden aan een posttraumatische stress, en werden met moderne therapieën behandeld door psychologen en gespecialiseerde verpleegkundigen. Bijkomend kan nog een behandeling met geneesmiddelen worden opgestart door een psychiater.

Defensie peilt ten slotte ook nog driemaal naar het moreel van de troepen door middel van een vragenlijst voor het vertrek, halverwege e opdracht en twee maanden na de terugkeer.

Mijn standpunt is dus helemaal niet ingegeven door budgettaire overwegingen, maar ik ben ervan overtuigd dat de middelen die momenteel worden ingezet, volstaan, en dat het project met de decompressie niet nodig is.

Ik dien u hierbij nog te vermelden, mevrouw Grosemans, dat het hier geen onderhandelingen betreft tussen enerzijds mijzelf en anderzijds de staf van Defensie. Ik dien namelijk de politieke beslissingen te nemen, dus op uw heel concrete vraag antwoord ik: nee.

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de minister, dank u wel. U vindt die decompressie dus niet nodig en inderdaad in uw andere antwoorden verwijst u ook telkens naar die eerstelijns en die tweedelijns gezondheidszorg. De eerstelijns gezondheidszorg, die RMO’s, kunnen wij legerpsychologen noemen en die moeten inderdaad de militairen daar op het terrein bijstaan. Zij kunnen echter niet dagelijks al die militairen individueel begeleiden. Dat is onmogelijk. Ze zijn daarvoor trouwens met veel te weinig voor.

Ik denk dat er in Afghanistan, als ik mij niet vergis, drie RMO’s werkzaam zijn. Dat is dus onmogelijk. Waar ik bij onze F-16-piloten ben geweest, waren er geen RMO’s. Ik denk dus dat het wel goed is die RMO’s, die legerpsychologen, daarna mee sturen naar een decompressie; alleen een begeleiding ter plaatse zal niet voldoende zijn.

Voorts verwijst u ook telkens naar het militair ziekenhuis Koningin Astrid, maar ik zie daar toch een probleem want individueel contact ligt heel moeilijk voor die militairen. De stap om daar naartoe te gaan leidt, enerzijds, tot statusverlies binnen hun eenheid. Anderzijds, zijn ze natuurlijk ook heel erg ongerust dat die militaire commissie voor geschiktheid en reform hen uiteindelijk ongeschikt zal verklaren en dat zij hun job zullen verliezen.

Het is daarom dat zoveel NATO-legers in landen rondom ons wel die decompressie organiseren. De generale staf vindt dit heel belangrijk, anders zouden zij nooit voor de derde keer opnieuw een voorstel hebben uitgewerkt. Ik vind dat zij nu ook veel water bij de wijn hebben gedaan.

Ik zou mij baseren op het oordeel van de militairen, die hebben die levensbedreigende situaties meegemaakt. Zij weten waarover ze spreken. U gaat eigenlijk aan hun oordeel voorbij. U velt een oordeel, terwijl u zelf nooit in een levensbedreigende situatie hebt gezeten, misschien politiek gevaarlijk, maar nooit echt levensbedreigend. Ik verzoek u met aandrang om op uw mening terug te komen, anders zou het kunnen dat u in een gevaarlijke situatie terechtkomt als u Evere nog eens bezoekt.

Minister Pieter De Crem: Mevrouw, ik ben nog maar zelden, om niet te zeggen nooit, in politieke levensbedreigende situaties terechtgekomen. Om een lange geschiedenis kort te maken, er zal in deze legislatuur in geen decompressiemoment buiten het Koninkrijk België voorzien worden.

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de minister, wie weet vind ik nog een meerderheid voor mijn resolutie.