Mondelinge vraag inzake de deelname aan het MUSIS-programma

6 maart 2013

Mondelinge vraag van mevrouw Karolien Grosemans aan de minister van Landsverdediging over "de deelname aan het MUSIS-programma" (nr. 16186)

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, begin 2012 leek de deelname van Defensie aan het MUSIS-programma een prioriteit van het departement te zullen worden. In een antwoord op een schriftelijke vraag van senator Tilmans hebt u in juli vorig jaar echter verklaard dat Defensie zich nog niet formeel kon binden aan een deelname aan het programma, omdat eerst de resultaten van een interne studie moesten worden afgewacht.

Het MUSIS-programma is een Europees samenwerkingsverband dat momenteel gericht is op de ontwikkeling van een nieuw Frans satellietsysteem voor militaire aardobservatie. De CSO-satellieten volgen in 2016 de huidige Helios II-satellieten op, waarvan ook Defensie gebruikmaakt. Via de POD Wetenschapsbeleid heeft ons land ondertussen al 50 miljoen euro in het MUSIS-programma geïnvesteerd.

Mijnheer de minister, graag zou ik u over dit dossier de volgende vragen willen stellen. Werd de interne studie intussen afgerond? Werd al een besluit genomen over een verdere deelname aan het MUSIS-programma en kunt u een stand van zaken geven?

Is Defensie nog steeds van plan de overstap te maken van het Helios II-programma naar het nieuwe CSO-programma? Zo ja, welke minimale investeringen zijn daarvoor noodzakelijk? Welke engagementen verwacht Frankrijk van Defensie in ruil voor deelname aan het nieuwe satellietsysteem? Welke deadline heeft Frankrijk daarvoor bepaald? Zo nee, zal onze militaire observatie- en inlichtingencapaciteit in het gedrang komen of zijn er alternatieven? Kan een laattijdige of ongunstige beslissing kwalijke gevolgen hebben voor de Belgische ruimte-industrie?

Minister Pieter De Crem: Mevrouw Grosemans, het is een technische vraag die leidt tot een zeer technisch antwoord.

De interne studie over de participatiegraad met de beste operationele return is inderdaad afgerond en de oplossing die het beste aan de Belgische behoeften beantwoordt, werd bepaald.

Dit houdt concreet in dat er voor het ruime gedeelte werd vastgesteld dat er geen nood is aan 5 % van de globale capaciteit van de Composante Spatiale Optique en dat de investeringen van BELSPO de operationele behoeften dekken. Voor het Belgische centrum gaat de voorkeur naar een SSU, een Segment Seul Utilisateur, type P 2, zonder een antenne, dat toestaat om de foto’s te programmeren, de prioriteiten met de partners te onderhandelen en de brutogegevens via netwerk te krijgen en bruikbare beelden te produceren.

Om operationele redenen en op basis van de bevindingen van het Comité I wordt in het Plan Investeringen voor Defensie en Veiligheid, het zogenaamde PIDV, dat in voorbereiding is, de prioriteit van de inlichtingendiensten op de Single Intelligence, de zogenaamde SIGINT, op capaciteit en op de inlichtingenverwerking gelegd.

Om deze reden wordt MUSIS/CSO als voorwaardelijk programma in het voorstel PIDV 2013-2014 hernomen.

Zonder de nodige budgettaire dekking kan Defensie de concrete onderhandelingen met Frankrijk over de praktische modaliteiten niet opstarten. Officieus is echter wel bekend dat Frankrijk een vastlegging in 2013 wenst.

De inlichtingencapaciteit bestaat uit meerdere complementaire subcapaciteiten: de beeldinlichtingen of IMINT, de inlichtingen van elektromagnetische oorsprong, de SIGINT en de openbronneninlichtingen of OSINT. Eén systeem kan niet de hele capaciteit in het gedrang brengen.

Het niet beschikken over CSO-beelden sluit het behouden van een aantal aangepaste IMINT-capaciteiten daarenboven niet uit. Desgevallend kan ze op minder performante bronnen gebaseerd zijn, zoals op de commerciële beelden.

Wat de Belgische ruimte-industrie betreft, heeft het al dan niet deelnemen van Defensie aan het programma weinig directe impact. Ze heeft weinig impact, omdat, enerzijds de bijdrage van BELSPO actueel nog niet volledig is opgebruikt en dus nog als hefboom voor het internationale gedeelte kan worden gebruikt. Anderzijds heeft ze ook weinig impact omdat het eventuele Belgische gedeelte, de SSU of Segment Seul Utilisateur, niet in een antenne voorziet. Bijgevolg biedt het weinig mogelijkheden aan voor een eventuele onderaanneming in de ruimte-industrie in het bijzonder.

Aldus rond ik mijn technische antwoord af. Ik meen in mijn antwoord alle aspecten te hebben behandeld.

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het was inderdaad een heel technisch antwoord, dat ik nog eens rustig zal nalezen.

Ik heb onthouden dat wij naar een grondstation zonder antenne en dus, naar ik aanneem, zonder ontvangstcapaciteit zullen gaan. Wij gaan naar een grondstation zonder antenne en dus zonder ontvangstcapaciteit.

Zulks heeft wel degelijk gevolgen, zowel voor Defensie en de ADIV als voor de industrie. De economische return ligt immers juist in de ontvangstcapaciteit en in de volledige communicatie. Indien wij geen ontvangstcapaciteit hebben, ziet onze ruimte-industrie de volledige software en hardware van de communicatie aan de neus voorbijgaan. Deze industrie kan dan ook niet meer dagelijks aanwezig zijn en updates doen. De economische return zien wij dus al zeker aan onze neus voorbijgaan, indien wij niet voor de ontvangstcapaciteit kiezen.

Voor de industrie heeft een en ander dus sowieso al serieuze gevolgen.

Minister Pieter De Crem: Ik geef een antwoord op uw vraag als minister van Defensie. In de eerste plaats moet ik tegemoetkomen aan de noden van Defensie van een dergelijk project.

De dual use, het gebruik, in andere capaciteiten of voor andere doeleinden kan ook van toepassing zijn. Als dat gaat, zoveel te beter, maar in dit specifiek dossier moet ik denken aan de capaciteiten en de noodzaak van het ontwikkelen van een dergelijk systeem voor Defensie. Dat is ook de teneur van mijn antwoord.

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de minister, ik begrijp dat u het opneemt voor Defensie. Ik wil dat hier ook zeker vanuit de oppositie doen.

Dit heeft echter niet alleen gevolgen voor de industrie, maar ook voor Defensie, en meer bepaald voor de ADIV.

Nu hebben wij dankzij het Helios II-systeem autonoom toegang tot satellietinformatie en krijgen wij de beelden maximaal een dag later binnen. Dat zijn bijna actuele beelden. Als wij die ontvangstcapaciteit niet meer hebben, zullen wij beeld per beeld moeten aankopen bij privéleveranciers. Dat zijn dan heel erg gedateerde beelden, men zou zelfs van archiefbeelden kunnen spreken.

Dan verliezen wij toch een heel belangrijk luik van de ADIV, dat heel belangrijk is in buitenlandse operaties. Dat is gebleken in Mali en Libië, waarvan er heel veel gebruik werd gemaakt om na te gaan hoe troepen zich ontplooiden, of infrastructuur zoals bijvoorbeeld wapenopslagplaatsen vernietigd waren of niet. Ik denk dat dit een heel nuttig instrument is voor de ADIV dat verloren gaat.

Minister Pieter De Crem: Ik heb alle aspecten van uw vraag en het belang ervan voor de Belgische Defensie benadrukt. Ik meen dat mijn antwoord voldoende is en ik heb daaraan op dit ogenblik niets anders toe te voegen.

Karolien Grosemans (N-VA): Het is heel jammer dat hier nu twee keer dezelfde fout wordt gemaakt. In 2001 is Defensie heel besluiteloos geweest en werd het contract met Frankrijk heel laattijdig ondertekend, waardoor onze bedrijven ook uit de boot zijn gevallen. Een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen. Ik hoop dat Defensie hieruit lessen trekt.