Mondelinge vraag inzake de eretitel van veteraan

20 februari 2013

Mondelinge vraag van mevrouw Karolien Grosemans aan de minister van Landsverdediging over "de eretitel van veteraan" (nr. 15848)

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de minister, enkele leden van onze commissie hebben een brief ontvangen van de Koninklijke Federatie der Militairen in het Buitenland met de vraag om de opdrachten van de bezettingslegers en de Belgische strijdkrachten in Duitsland te erkennen als buitenlandse opdracht, waarvan deelname recht geeft op het dragen van de eretitel van veteraan.

U hebt uw standpunt daarover in november vorig jaar duidelijk gemaakt aan de KFMB. Volgens u ging het bij die opdrachten telkens om een oefening of een manoeuvre en niet om een echte operatie.

Mijnheer de minister, omdat er voor mij toch nog enkele onduidelijkheden bestaan, had ik graag wat meer informatie gekregen.

Hoeveel personen zouden er volgens de KFMB bijkomend in aanmerking moeten komen als veteraan? Welke criteria hanteert de adviescommissie die dat soort aanvragen in eerste instantie behandelt?

Aan welke objectieve kenmerken moet een opdracht voldoen om erkend te worden?

Hoeveel buitenlandse opdrachten geven de deelnemers eraan recht op het erekruis voor militaire dienst in het buitenland? Hoeveel daarvan geven ook recht op de eretitel van veteraan?

Geeft deelname aan de zendingen van Caritas Catholica in Albanië, de Olympische Spelen in Athene of de operatie Marianne in Frankrijk recht op het dragen van de eretitel van veteraan? U zou aan de KFMB gezegd hebben van niet, terwijl het Instituut voor Veteranen zegt van wel.

De Sociale Actie van het Instituut voor Veteranen is een sociale dienst die naar eigen zeggen zowel morele hulpverlening, materiële hulpverlening als algemene sociale ondersteuning biedt aan veteranen. Vindt u het volledig correct om te blijven spreken van een eretitel waaraan geen enkel voordeel verbonden is?

Ten slotte, naar aanleiding van een wetsvoorstel uit 2008 zou een studiegroep bekijken of het in de toekomst mogelijk is om veteranen ook materiële voordelen toe te kennen. Kunt u een stand van zaken geven?

Minister Pieter De Crem: Mijn standpunt over de vraag of de militairen die deel uitmaakten van de bezettingslegers en de Belgische strijdkrachten in Duitsland ook recht zouden moeten hebben op de titel van veteraan, heb ik duidelijk gemaakt in een brief van 9 november 2012 aan de voorzitter van de Koninklijke Federatie der Militairen in het Buitenland, de KFMB. Ik zal dat standpunt hier herhalen en bepaalde onduidelijkheden uitklaren.

Ik kan niet antwoorden op de vraag met betrekking tot het exacte aantal personen dat in aanmerking genomen zou moeten worden. Er bestaan op het moment geen concrete cijfergegevens. Indien ik natuurlijk de benaderende rekenkunde toepas en de periode van 1949 tot 1992 – de afschaffing van de dienstplicht – in ogenschouw neem en niet de definitieve terugtrekking met de sluiting van de laatste posten in 2007, meen ik dat het over honderdduizenden landgenoten zou gaan, zeker wanneer we het aantal effectieve militairen in beroepsverband en dienstplichtigen in rekening dienen te brengen.

Het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 tot bepaling van de operaties waaraan de personeelsleden en de gewezen personeelsleden van het departement Landsverdediging moeten hebben deelgenomen om de eretitel van veteraan te verkrijgen, en de voorwaarden voor de toekenning van de eretitel bepaalt de criteria die de commissie Veteranen gebruikt om te bepalen wie aanspraak kan maken op de eretitel van veteraan.

Die criteria zijn: ten eerste, het feit dat de opdracht of de operatie met een beslissing van de Belgische regering of van de minister van Landsverdediging wordt uitgevoerd; ten tweede; dat de opdracht plaatsvond buiten het grondgebied van het Rijk en; ten derde, dat de opdracht werd uitgevoerd in omstandigheden waarbij er effectiefrisico’s werden gelopen voor de gezondheid of de veiligheid.

Het KB bepaalt eveneens de te volgen procedure. Wanneer iemand een aanvraag voor de titel van veteraan indient voor een niet-erkende operatie, wordt die voorgelegd aan de commissie Veteranen en wordt er een advies aan mij gegeven.

Het erekruis voor de militaire dienst in het buitenland wordt verleend aan militairen die diensten hebben vervuld bij de BSD sinds 9 mei 1945 en in Congo-Zaïre of Rwanda-Burundi sinds 1 juli 1960. Het erekruis wordt niet verleend voor deelname aan opdrachten of operaties.

Het verschil tussen de militairen van de BSD, de Belgische Strijdkrachten in Duitsland, en die van de Technisch-Militaire Coöperatie ligt bij de gezondheids- en veiligheidsrisico’s die bij de TMC konden worden gelopen. De risico’s voor de BSD waren identiek aan die van de militairen die gestationeerd waren in België.

Ik herhaal wat ik heb geschreven aan de voorzitter van de KFMB: de opdrachten Caritas Catholica in Albanië, Olympic Games in Athene en Marianne in Frankrijk geven geen recht op de titel van veteraan.

In verband met de aanvraag over de voordelen verbonden aan de titel van veteraan, is de wet van 10 april 2003 duidelijk. De eretitel van veteraan geeft geen recht op statutaire, sociale, geldelijke of fiscale voordelen. Wel kunnen de veteranen als begunstigden van het IVNIOOO een beroep doen op de sociale dienst van het instituut. Die dienst verleent de klassieke sociale steun, waaronder ook materiële steun, zoals sociale leningen. De materiële voordelen beperken zich tot die vorm van sociale steun.

Naar aanleiding van een aantal wetsvoorstellen in de vorige legislatuur werd inderdaad bestudeerd of de voordelen aan de veteranen moeten worden uitgebreid. De studie had betrekking op de terugbetaling van het remgeld en een gratis hospitalisatieverzekering voor bepaalde veteranen, namelijk diegenen die een minimale periode van zes maanden deelname aan erkende operaties konden aantonen.

De studie is niet uitgemond in een nieuw wetgevend initiatief, omdat de problematiek werd meegenomen in de regeringsonderhandelingen in het hoofdstuk Defensie. Het akkoord stelt dat de regering zich zal buigen over de toekomst van het Instituut voor Veteranen, het Nationaal Instituut voor Oorlogsinvaliden, Oud-strijders en Oorlogsslachtoffers en zal streven naar een grote rol van die instelling ten gunste van de veteranen.

Het actuele referentiekader is dus het regeerakkoord en ook een beslissing van de regering van vorig jaar in het kader van de begrotingsopmaak voor 2013, waarin ik gelast werd om de meest kostenefficiënte structuur te bepalen voor de organisatie van de actueel aan het instituut toegewezen opdrachten. Dat is wat de nieuwe werkgroep momenteel bestudeert.

Los van de vraag of de veteranen van bijkomende voordelen moeten genieten, zijn er actueel geen argumenten om mijn beleid te wijzigen met betrekking tot de toekenning van de eretitel van veteraan. Mijn beleid verzekert continuïteit met dat van mijn voorganger, die onder zijn ministerschap beslist heeft om de eretitel van veteraan niet toe te kennen aan de bezettingslegers en de Belgische strijdkrachten in Duitsland.

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

De hele discussie veteraan of niet-veteraan staat of valt natuurlijk met wat men verstaat onder veteraan. Volgens mij zijn er geen duidelijke criteria. Ik heb gezien welk formulier men moet invullen. Daarop staat in het groot “erkenningscriteria”, maar er staat nergens iets over de criteria.

Op de website staat vermeld dat men de aanvraag kan indienen als men meent dat zijn leven of gezondheid in gevaar is geweest. Een adviescommissie beslist dan daarover, maar als er geen duidelijke, transparante criteria zijn, dan gaat het om een heel subjectief gegeven en dan denkt natuurlijk iedereen daarop recht te hebben.

U zei dat de zendingen van Caritas Catholica, de Olympische Spelen in Athene en de operatie Marianne geen recht geven op de eretitel van veteraan, maar die staan wel op de lijst van het Instituut voor Veteranen. Er zijn geen duidelijke, transparante criteria.

In Frankrijk, bijvoorbeeld, zijn die criteria wel transparant en heel openbaar. Daar heeft men ook recht op een veteranenkaart, maar dat recht wordt duidelijk afgebakend. Ik geef een paar voorbeelden. Men moet 90 dagen actief zijn in een opdracht van een gevechtseenheid of de eenheid moet negen keer onder vuur zijn genomen of men moet persoonlijk vijf keer onder vuur zijn genomen. Er zijn dus heel specifieke criteria om te bepalen of men al dan niet recht heeft op de titel van veteraan. Men moet dan natuurlijk ook nog wel heel goed definiëren wat een gevechtseenheid is, maar als men de criteria niet helder weergeeft en niet openbaar maakt, dan zal ter zake altijd wrevel volgens mij blijven bestaan.

Minister Pieter De Crem: Op basis van een administratief advies is de eretitel van veteraan toegekend aan militairen die deel hebben genomen aan onder andere de zendingen van Caritas Catholica en operatie Marianne, waar u naar verwijst. Nadien heeft de administratie dat echter rechtgezet, aangezien het hier geen rechtmatige toekenning van het statuut betrof.

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de minister, dit is nu precies de reden voor de wrevel: ondanks uw uitleg staan de betreffende missies nog altijd op de lijst van het Instituut voor Veteranen. Ik denk dat die best eens opnieuw wordt bekeken.