Mondelinge vraag inzake de hernieuwing van het mandaat van algemeen directeur bij het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis

2 april 2014

Mondelinge vraag van mevrouw Karolien Grosemans aan de vice-eersteminister en minister van Landsverdediging over "de hernieuwing van het mandaat van algemeen directeur bij het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis" (nr. 22507) 

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de minister, in de commissievergadering van 15 januari heb ik u een vraag gesteld over de hernieuwing van het mandaat van de algemeen directeur van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis.

Na de gebeurtenissen van gisteren zijn enkele zaken voor mij duidelijk geworden, maar enkele zaken blijven voor mij nog onduidelijk. Ik wil wel benadrukken dat mijn vraag alleen over de procedure gaat.

Mijnheer de minister, klopt het dat de algemeen directeur van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis volgens het KB van 13 april 2008 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementstaf en leidinggevende functies in de federale wetenschappelijke instellingen ook tussentijds moet worden geëvalueerd? Hebben die tussentijdse evaluaties in de jaren hiervoor plaatsgevonden? Zo neen, waarom is dat niet gebeurd?

Welke instantie is verantwoordelijk voor de evaluatie van de algemeen directeur? Welke instantie neemt de tussentijdse evaluaties en de eindevaluatie af van de algemeen directeur? Wat zijn de verschillende mogelijkheden waartoe een eindevaluatie van een algemeen directeur kan besluiten? Bijvoorbeeld excellent, zeer goed, goed, voldoende enzovoort.

Welke beoordeling is minimaal nodig om te kunnen deelnemen aan de nieuwe selectieprocedure voor het mandaat? Wanneer werd de selectieprocedure precies opgestart en hoe verloopt deze tot nu toe? Zal er een nieuwe algemeen directeur zijn voordat het mandaat van de huidige directeur afloopt? Zo neen, hoe zult u in de leiding van het museum voorzien? Wie zal er met andere woorden na 31 maart als directeur ad interim optreden? Het antwoord daarop kennen we ondertussen.

Minister Pieter De Crem: Met betrekking tot de vragen over het persoonlijke geval van de algemeen directeur van het legermuseum – hij heeft er zelf naar verwezen in de additie van het Parlement – kan ik u zeggen dat ik over individuele gevallen geen bemerkingen of antwoorden zal geven.

Ik wil wel opmerken dat deze aangelegenheid reeds aan bod is gekomen in de commissievergadering van 15 januari in mijn antwoord op de door u mondeling geformuleerde parlementaire vragen over dit onderwerp.

Ik herhaal nogmaals dat met betrekking tot de rechtstoestand van de algemeen directeur van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijsgeschiedenis en meer in het bijzonder voor de selectie, de werving, de aanstelling, de uitoefening van de functie, de evaluatie, het einde van het mandaat en de hernieuwing ervan kan worden verwezen naar het KB van 13 april 2008 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementstaf en leidinggevende functies in de federale wetenschappelijke instellingen.

Dit koninklijk besluit vervangt het koninklijk besluit van 22 januari 2003 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de wetenschappelijke instellingen van de Staat en brengt diverse wijzigingen aan in de personeelsstatuten van de wetenschappelijke instellingen van de Staat die van toepassing waren bij de aanstelling van de huidige algemeen directeur van het museum. Zoals ik reeds heb aangehaald in de commissievergadering van 15 januari laatstleden, worden deze KB’s toegepast op de huidige algemeen directeur in de domeinen die zonet werden aangehaald.

Aan het mandaat van de heer Hanson is ondertussen op 31 maart een einde gekomen.

Ik heb aan het Koninklijk Museum gevraagd om het besluit tot vaststelling van de opdrachten van het KLM te actualiseren, rekeninghoudend met het beheer van een aantal externe sites, zoals de bunker van de Kemmelberg, het Gunfire museum in Brasschaat, de Dodengang in Diksmuide, The Bastogne Barracks en de McAuliffekelder.

Gezien bovenstaande hernieuwing van de opdrachten en de mogelijke gevolgen op de functieomschrijving, wordt het mandaat van de algemeen directeur van het KLM niet vacant verklaard. Ik heb twee wetenschappers van het KLM belast met het dagdagelijks beheer van de instelling.

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het volgende vind ik bijzonder jammer. Ik heb begin oktober voor het eerst vragen gesteld over de directeur van het legermuseum. Verschillende zaken waren niet in orde: het personeel was gedemotiveerd, er was geen leiding, geen management, geen sfeer, geen meerjarenplan. Er waren eigenlijk genoeg rode lichten die hadden kunnen aanfloepen om die tussentijdse evaluaties en een correcte eindevaluatie te maken. Ik betreur dat dit niet is gebeurd.

De beslissing die nu werd genomen, is wel zeer goed en is in het voordeel van het personeel van het legermuseum, maar ik betreur dat er niet eerder op een correcte manier werd gehandeld.

Ik zou nog extra willen vragen dat er bij de nieuwe directeur zeker aandacht wordt geschonken aan zijn kennis van het Nederlands, want bij de huidige directeur was die kennis er absoluut niet.