Mondelinge vraag inzake de termijnen waarover het RSVZ beschikt om een beslissing te nemen betreffende rust- en overlevingspensioenen van zelfstandigen

22 mei 2012

Mondelinge vraag van mevrouw Karolien Grosemans aan de minister van Middenstand, Kmo's, Zelfstandigen en Landbouw over "de termijnen waarover het RSVZ beschikt om een beslissing te nemen betreffende rust- en overlevingspensioenen van zelfstandigen" (nr. 11383)

Karolien Grosemans (N-VA): Mevrouw de minister, in essentie gaat het over een conflict tussen het Handvest van de sociaal verzekerde en het algemeen pensioenreglement voor zelfstandigen. Het handvest bevat een aantal belangrijke principes in verband met de rechten en de plichten van de bevolking, dus de sociaal  verzekerden,  in  hun  contacten  met  de socialezekerheidsinstellingen. Het voornaamste doel van het handvest is het beschermen van de bevolking door een geheel van regels waaraan alle socialezekerheidsinstellingen zich moeten houden.

Artikel 10 van het handvest zegt bijvoorbeeld binnen welke termijn instellingen van sociale zekerheid een beslissing moeten nemen na een verzoek van een verzekerde. In principe is dat vier maanden. In hetzelfde artikel wordt bepaald dat deze termijn van vier maanden uitzonderlijk en tijdelijk per KB verlengd kan worden tot maximaal acht maanden.

Mevrouw de minister, in de algemene aanbevelingen van het jaarverslag 2011 van de ombudsdienst pensioenen wordt aangeraden om artikel 133 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen te wijzigen, zodat enkel nog een termijn van vier maanden van toepassing is. Op die manier wordt eigenlijk het onderscheid in behandeling tussen de pensioenstelsels opgeheven.

Zult u die aanbeveling van de ombudsdienst pensioenen opvolgen? Zo ja, kunt u daar een tijdsschema opkleven?

Minister Sabine Laruelle: Zoals de ombudsdienst aanhaalt, geniet het RSVZ reglementair inderdaad van een afwijking van het handvest van de sociaal verzekerde inzake pensioenen. De termijn waarin wordt voorzien door het handvest voor het nemen van een beslissing inzake pensioenen en voor de uitbetaalbaarstelling bedraagt in totaal acht maanden. Het RSVZ heeft sinds 1998 het recht behouden te beschikken over een extra termijn van vier maanden om zijn beslissing te nemen en dit wanneer de pensioenaanvraag wordt ingediend meer dan negen maanden voor het pensioen ingaat.

Deze afwijking bestaat nog voor het RSVZ en zou helemaal moeten verdwijnen, dat ben ik met u eens. Deze afwijking wordt als dusdanig in principe niet meer toegepast door het RSVZ. De refertetermijnen zijn die waarin wordt voorzien door het handvest, behalve bij toepassing van verwijlintresten zoals voorzien door het handvest.

Inderdaad, in dit geval blijft het RSVZ gebruik maken van de extra termijn van vier maanden met toepassing van het artikel 133 van het koninklijk besluit van 22 december 1967. De teksten van het koninklijk besluit met het oog op de schrapping van deze afwijkende regel werden net afgerond door mijn administratie. Ik leg ze voor op de volgende Ministerraad. Ik ga met u akkoord. Het gaat niet. We moeten die regel afschaffen.

Karolien Grosemans (N-VA): De uitzondering werd inderdaad ingevoerd met een koninklijk besluit van 15 december 1998. Het ging om een vrij beperkte en tijdige uitzondering. Gelet op de periode die intussen verstreken is kan men niet volhouden dat het om een tijdelijke uitzondering gaat.

Ik ben blij dat u akkoord gaat en dat het wordt geschrapt. De pensioenwereld wordt er weer wat mooier op.