Mondelinge vraag inzake de toekenning van het roze boekje voor de oorlogsslachtoffers

14 juni 2011

Mondelinge raag van mevrouw Karolien Grosemans aan de minister van Landsverdediging over "de toekenning van het roze boekje voor de oorlogsslachtoffers" (nr. 4898)

Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen!): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, in antwoord op een vorige parlementaire vraag gaf u de cijfers van gunstige beslissingen inzake aanvragen tot toekenning van het roze boekje in het kader van het herstelpensioen voor de Joodse oorlogsslachtoffers. Uit uw antwoord bleek een groot verschil tussen het Vlaamse en het Franstalige landsgedeelte, zowel wat betreft aantal ingediende aanvragen als gunstige beslissingen. Nochtans geldt dezelfde regelgeving voor het hele land.

Kunt u onderzoeken wat de reden is van deze ongelijkheden? Heeft dit te maken met interpretatieverschillen door de ambtenaren die over de dossiers moeten oordelen?

Voorts is de regelgeving bijzonder strikt. Zo moeten voormalig ondergedoken kinderen de continuïteit van hun fysieke of psychische aandoening sinds de Tweede Wereldoorlog tot het moment van hun aanvraag aantonen. Dit is materieel moeilijk te bewijzen, maar houdt evenmin rekening met het feit dat ziektebeelden pas x aantal jaren later kunnen opduiken.

Een andere bijzondere bepaling stelt dat de aanvrager vanaf de oorlog tot het moment van de aanvraag in België moet verblijven. Een kortstondig verblijf, bijvoorbeeld in Israël, is voldoende voor een afgewezen aanvraag. Dringt er zich volgens u dan ook geen herziening van de regelgeving op?

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega De Vriendt heeft de vraag al ingeleid, dus ga ik onmiddellijk over tot mijn meer specifieke vragen.

Hoe verklaart u dit opmerkelijk verschil tussen het aantal goedgekeurde aanvragen bij de Franstalige en de Nederlandstalige commissies?

Hebt u kennis van de reden waarom er zoveel meer vragen binnenkomen bij de Franstalige commissie?

Kunt u maatregelen nemen om deze ongelijkheid weg te werken?

Minister Pieter De Crem: Mijnheer de voorzitter, ik kan alleen vaststellen, collega’s De Vriendt en Grosemans, dat het aantal aanvragen door Franstaligen hoger ligt. Een studie naar de reden hiervan bestaat voor zover mij bekend is niet. Ik ga mij niet aan gissingen wagen.

Wat het hoger aantal positieve beslissingen aan Franstalige kant betreft, kan worden vastgesteld dat dit verband houdt met een verschillende interpretatie van de wetgeving tussen de Nederlandstalige en de Franstalige commissies. Deze commissies beslissen op eigen gezag tot toekenning van het pensioen, op basis van de bewijselementen die hen worden voorgelegd. Daar het om administratieve gerechtelijke commissies gaat, ben ik niet bij machte in te grijpen in hun werking, op straffe van het beginsel van de scheiding der machten.

Ingeval van betwisting is beroep mogelijk bij de Hoge Commissie van Beroep. Een toetsing van de rechtmatigheid van een beslissing in beroep kan ook worden uitgeoefend door de Raad van State, middels een aanvraag tot nietigverklaring. Ik stel vast dat bij uiteenlopende interpretaties van bepaalde rechtspraak tussen de Nederlandstalige en de Franstalige kamer van de Raad van State, de mogelijkheid bestaat het standpunt van de algemene vergadering van de Raad van State te bekomen over het betrokken rechtspunt, met het oog op de eenvormigheid van de rechtspraak.

Ingeval van de betrokken commissies kan, om uiteenlopende interpretaties over bepaalde rechtspunten te vermijden, wellicht overwogen worden deze in een soort van algemene vergadering te laten zetelen. Daarvoor is echter een wetgevend initiatief nodig en dat kan een regering in lopende zaken n iet nemen.

Wouter De Vriendt (Ecolo-Groen!): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw duidelijke antwoord. De vraag is of u dit in uw hoedanigheid van minister niet kunt signaleren aan de Raad van State? U kunt de Raad van State toch wijzen op die ongelijke behandeling? Ik geef de cijfers nog eens: 21 % van de Nederlandstalige aanvragen wordt goedgekeurd, tegen 72 % van de Franstalige aanvragen. Het leed is hetzelfde, maar het oordeel is anders. Dit is een onrechtvaardige situatie. Wij moeten dit ernstig nemen en moeten het onderzoeken. Misschien kunt u als minister toch een aantal stappen ondernemen?

U bevestigde dat het om een interpretatieverschil gaat. In principe zou dat niet mogen.

Ik onthoud uw suggestie dat de wetgevende macht een initiatief kan nemen om de regelgeving te herzien. Wij gaan dit alleszins verder bekijken en uw suggestie ter harte nemen.

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de minister, wij hebben nood aan objectieve gegevens. Wij hebben enkel de cijfers van één werkingsjaar gekregen, met name 2010. Ik heb enkele schriftelijke vragen ingediend om meer cijfers op te vragen. Ik meen dat wij alles grondig moeten evalueren en daarna eventuele fouten rechtzetten via wetgevend werk.