Mondelinge vraag inzake de toekomst van het IV-NIOOO

9 juli 2013

Mondelinge vraag van mevrouw Karolien Grosemans aan de vice-eersteminister en minister van Landsverdediging over "de toekomst van het IV-NIOOO" (nr. 18519)

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, een van de actiepunten in het regeerakkoord van december 2011 is de toekomst van het IV-NIOOO, Instituut voor Veteranen – Nationaal Instituut voor Oorlogsinvaliden, Oud-strijders en Oorlogsslachtoffers. De regering nam zich voor te streven naar een grotere rol van die instelling ten gunste van de veteranen en in het domein van de herinnering. In uw algemene beleidsnota voor het jaar 2013 heeft u zich verder geëngageerd om vanaf dit jaar bijzondere aandacht te schenken aan het instituut.

Mijnheer de minister, ik zou u graag willen vragen naar uw toekomstplannen in dit dossier. Hoe evalueert u de huidige werking van het IV-NIOOO? Wat is uw toekomstvisie voor het IV-NIOOO? Welke maatregelen of initiatieven plant u ter hervorming van de instelling? Tegen wanneer hoopt u uw visie ter goedkeuring te kunnen voorleggen aan uw collega-ministers en het Parlement?

De activiteiten van het IV-NIOOO, in het bijzonder deze op het vlak van de herinnering, zijn momenteel voornamelijk gefocust op de twee wereldoorlogen en de Korea-oorlog. Onder andere in Nederland gaat er eveneens veel aandacht uit naar buitenlandse operaties uit een recenter verleden. Zullen de buitenlandse missies van na 1960 in de toekomst ook bij ons een grotere rol kunnen spelen bij educatie- en herinneringsprojecten? Hoe staat u tegenover het actief uitsturen van veteranen naar scholen, bijvoorbeeld in het raam van Veteranendag, om daar over hun ervaringen in recentere missies te praten?

Minister Pieter De Crem (in het Frans): Het Instituut voor Veteranen en het Nationaal Instituut voor Oorlogsinvaliden, Oud-strijders en Oorlogsslachtoffers vormen samen één instelling. Het is een instelling van openbaar nut. Het instituut haalt zijn middelen voornamelijk uit een toelage die is opgenomen in de begroting van de FOD Sociale Zekerheid.

(In het Frans:) Het instituut functioneert – rekening houdend met de budgettaire beperkingen – normaal. Het is financieel gezond, maar uit de meerjarige projectie komt een substantiële daling van het aantal rechthebbenden naar voren, wat de ratio van het budget tot dekking van de structuurkosten in 2017 op 73 procent zal brengen in vergelijking met het budget dat wordt gebruikt voor kosteloze medische verzorging alsook voor morele hulp en sociale actie. Momenteel bedraagt deze ratio 38 procent.

(In het Frans:) Een werkgroep onderzoekt de situatie, in samenwerking met vertegenwoordigers van het departement Sociale Zaken.

(In het Frans:) De hervorming van het instituut is een complex dossier en het zou voorbarig zijn nu al over een tijdpad te spreken. Het is geenszins mijn bedoeling te raken aan de sociale verworvenheden van onze oorlogsslachtoffers. Wat voor mij belangrijk is, is dat erover wordt gewaakt dat het overheidsgeld wordt besteed zoals een goede huisvader dat zou doen en dat wordt nagegaan of de omvang van de huidige structuur nog gepast is.

(In het Frans:) Wat mij betreft, is alles mogelijk.

Mevrouw Grosemans, collega’s, het instituut speelt inderdaad een belangrijke rol in de voorbereidingen van de herdenkingen van de Eerste Wereldoorlog. Het is immers de enige federale instelling die een wettelijke bevoegdheid heeft op het vlak van de herinnering. Het instituut is dan ook lid van het organisatiecomité van de herdenkingen. De commissaris-generaal heeft zijn burelen bij het instituut en het instituut staat ook in voor een deel van zijn secretariaat.

Het instituut werkt verder aan diverse projecten rond de herinnering aan dit eerste mondiale conflict. Het gaat met name over een kostenloze rondreizende tentoonstelling in 2014, het opstarten van een databasis met de gegevens over Belgische soldaten die gestorven zijn tussen 14 en 18 in de vorige eeuw.

Naast de normale activiteiten komt er in 2013 een rondreizende tentoonstelling over het verzet in Europa, in 2015 komt er een tentoonstelling over de oorzaken van de Tweede Wereldoorlog. In dat jaar herdenken we de 75ste verjaardag van het uitbreken van dat conflict en de 70ste verjaardag van het einde ervan. Voor dat jaar plant het instituut, opnieuw in samenwerking met de Stichting Auschwitz, een trein met eindbestemming Auschwitz. Talrijke andere projecten zijn nog in voorbereiding.

Ik kan aan collega Grosemans ook antwoorden dat de focus niet uitsluitend ligt op de twee wereldoorlogen en de Korea-oorlog. Het instituut organiseert ook een hele reeks activiteiten met betrekking tot de veteranen. Zo zijn er de jaarlijkse activiteiten op 7 april, Veteranendag en op 21 juli waar kinderen van 8 tot 12 spelenderwijs in contact komen met Defensie via het spel ‘Peacekeeper’.

Daarnaast produceerde het instituut twee dvd’s: één over de Belgische militaire activiteiten in Congo en een tweede met getuigenissen van Korea-veteranen. Al deze inspanningen zullen in de toekomst uitgebreid worden.

Het instituut beschikt ook over een stand die gebruikt wordt op de activiteiten van Defensie of elders waar het publiek de militaire gemeenschap kan ontmoeten.

Ten slotte wens ik nog te vermelden, dat het instituut steeds streeft naar samenwerking met getuigen van Belgische naoorlogse militaire operaties en daar in de praktijk ook in slaagt.

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de minister, de heer Lacroix zegt dat hij gerustgesteld is. De hervorming gebeurt niet overhaast. Ik ben helemaal niet gerustgesteld. Er gebeurt gewoon niets. Ik hoor nu ook dat er blijkbaar geen timing meer is.

Als wij de geschiedenis overlopen, lezen wij in het regeerakkoord van december 2011 dat de regering zich over de toekomst van het instituut zal buigen en dat ze zal streven naar een grotere rol van die instelling ten gunste van de veteranen.

In 2012 stond het op uw website als een actiepunt vermeld. Er werd een concrete timing afgesproken. Er is toen een brief aan de minister van Sociale Zaken verzonden. Meer vind ik niet terug in 2012.

In de algemene beleidsnota van 2013 staat dat hieraan bijzondere aandacht zal worden besteed. Opnieuw is het een actiepunt.

Tijdens de begrotingscontrole van 2013 zou een voorstel worden uitgewerkt over de toekomst van het instituut met als specifieke opdracht de meest kostenefficiënte structuur voor de organisatie te bepalen. Dat klinkt al heel wat minder goed dan in december 2011.

De activiteiten die nu gebeuren zijn natuurlijk heel positief en die zijn heel belangrijk, maar ik hoor niets nieuws. Er gebeurt gewoon meer van het hetzelfde, terwijl het belangrijk is dat wij ons nog meer focussen op militairen die in een recent verleden werden ingezet, omdat Defensie op die manier ook een nauwe band met de publieke opinie kan smeden. Dat zal zeker zorgen voor een verbetering van het imago van Defensie en een groter respect voor militairen.

Ik heb een mooie resolutie ter zake geschreven. Ik zal die in het najaar misschien aan de agenda plaatsen.