Mondelinge vraag inzake de toekomst van het Koninklijk Legermuseum

17 februari 2016

Mondelinge vraag van mevrouw Karolien Grosemans aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de toekomst van het Koninklijk Legermuseum" (nr. 8910)

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de minister, in de commissievergadering van 8 juli 2015 hebt u gezegd dat u in september van dat jaar twee studies over het Legermuseum verwachtte: een studie in verband met het beleid van het militair erfgoed en het resultaat van de informatieopdracht door de Algemene Inspectie van Defensie in verband met de werkingsproblemen in het museum. De eerste studie omvat ook de nieuwe invulling van de functie van algemeen directeur van het museum. Totdat die nieuwe invulling is vastgelegd, is het beheer van het Legermuseum in handen van een directeur ad interim.

Mijnheer de minister, ik zou graag aan de hand van de volgende vragen een stand van zaken krijgen.

Hebt u de studie in verband met het beleid van het militair erfgoed reeds ontvangen? Zo ja, wat zijn de belangrijkste conclusies over de toekomstvisie voor het Legermuseum?

Hoe vult de studie de functie van algemeen directeur in? Werd de wervingsprocedure intussen opgestart?

Hebt u ook de tweede studie, het resultaat van de informatieopdracht door de Algemene Inspectie van Defensie, ontvangen? Zo ja, wat zijn de belangrijkste conclusies van de Inspectie?

Welke initiatieven zult u de komende weken nemen op basis van de conclusies van beide studies?

Minister Steven Vandeput: Mevrouw de voorzitter, collega’s, ik zal zo dadelijk even verder gaan dan mijn voorbereide tekst omdat ik hierover wat nieuws heb dat ik graag met u wil delen. Ik doe dat zoals altijd voor de transparantie. Straks zal ik dat misschien betreuren, maar het zij zo.

Mijnheer De Vriendt, in 2015 bezochten 201 177 personen de site van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijsgeschiedenis aan het Jubelpark.

De collectiestukken van de tentoonstelling over 14-18 komen van het Legermuseum en werden ofwel in hun oorspronkelijke vitrines teruggeplaatst ofwel weer opgenomen in de reserves van het Koninklijk Legermuseum. Wat betreft de betalende toegang heeft men geopteerd voor de elektronische betaling.

Voor het resultaat van de studie over de functionering van het Legermuseum verwijs ik de geachte leden naar het antwoord op vraag nr. 402 van mevrouw Caroline Cassart-Mailleux van 21 oktober 2015 waarop ik heb geantwoord op 24 november 2015. Ik heb haar toen meegedeeld dat ik de studie had ontvangen. In de studie van de AIG werden aanbevelingen gedaan op korte, middellange en lange termijn. Op basis van de studie heb ik aan de directeur ad interim gevraagd een actieplan in deze op te stellen, wat ondertussen ook is gebeurd.

Ik heb destijds aan mevrouw Cassart-Mailleux gezegd dat ik dat rapport niet kan delen omdat het gaat over individuele persoonlijke gegevens. Het is niet gebruikelijk dat dit soort vertrouwelijke informatie breed wordt gedeeld. Ik kan u wel zeggen dat daarmee wordt verdergewerkt.

Ik wil trouwens ook elke twijfel wegnemen dat het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis slecht zou worden beheerd. Mevrouw Van Everbroeck levert daar heel goed werk en ik steun haar met betrekking tot de acties die zij onderneemt en de voorbereidingen die worden getroffen in het kader van wat gaat volgen.

(In het Frans:) Werkgroepen hebben de thema's instandhouding van de herinnering en historisch patrimonium van Defensie bestudeerd. Ze stellen voor om een nieuwe, transversale federale ad-hocdienst op te richten. Een werkgroep buigt zich over de details van de invoering ervan. Ik zal de regering een globaal plan voorleggen zodra ik over hun conclusies beschik.

Ten slotte wens ik te melden dat de selectieprocedure voor de aanwerving van een nieuwe directeur van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis pas kan worden gestart wanneer de regering een beslissing heeft genomen over de toekomstige structuur en plaats van het KLM.

De voorbereiding op dit antwoord werd gemaakt voor gisteren, maar gisteren heb ik met al mijn parastatalen samen gezeten. Ik heb ook een quasi finaal voorstel gekregen van al wie binnen Defensie bezig is met herdenking of la mémoire, ons patrimonium met erfgoed, zowel roerend als onroerend en immaterieel. Enkele dingen zijn duidelijk. Professor De Vos heeft een interview gegeven op basis waarvan een heel pak vragen is gerezen en waarbij ongerustheid werd geuit. Ik wil daar iets van wegnemen.

Vooreerst de collectie. In elk ontwerp behoort de collectie aan Defensie toe en dat blijft te allen tijde zo. Dat is belangrijk. Het is de bedoeling om de actieve en passieve conservatie van die collectie te optimaliseren. Een andere vraag is in welke mate die echt wel interessante collectie maximaal naar het publiek kan worden gebracht, hetzij voor studie dan wel herdenking als erkenning. Daarover zijn er ideeën waarvan er een aantal veel verder gaat dan waar we er vandaag mee staan. Onze collectie, ons patrimonium is en blijft van Defensie.

Als wij echter derde partijen vinden die iets willen doen met de collectie, zoals bijvoorbeeld die bewuste firma deed inzake de collectie 14-18 en de tentoonstelling in het Legermuseum, waarbij we kwaliteit kunnen aanbieden, dan kan er voor die kwaliteit ook betaald worden. Er zullen ook andere initiatieven mogelijk zijn met budgetten die misschien meer onder controle kunnen blijven.

Ik geef hiermee ook aan dat erfgoed volgens mij weliswaar geen kerntaak is van Defensie, maar wel een heel belangrijke taak is. Om die reden nemen wij onze tijd.

Mijnheer Dallemagne, ik zal mij vandaag niet laten vastpinnen op een datum, maar ik kan u wel zeggen dat ik zowat klaar ben om een voorstel te doen aan de regering. Vermits hierover in deze commissie al zoveel discussie is, kunt u zich voorstellen dat ook andere mensen zich vragen stellen.

Wat betreft het gebouw aan de Cinquantenaire wil ik benadrukken dat dit geen eigendom is van Defensie. Wij moeten daarvoor samenwerken met de Regie der Gebouwen. Ik kan u bevestigen dat er op korte termijn een eerste stap zal worden gezet om de Bordiau Hall onder handen te nemen en in elk geval klaar te maken voor een vaste collectie. Ik meen dat het de bedoeling is om daar een collectie onder te brengen in verband met de Tweede Wereldoorlog met het oog op de herdenking ter zake.

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de minister, u hebt, mijns inziens, gelijk wanneer u zegt dat de rust daar ondertussen wel is weergekeerd. Wij hebben al een tijdje niets meer gehoord van het Legermuseum, dat toch uit een woelige periode komt waarin het heel vaak de pers haalde, niet met gerenommeerde tentoonstellingen, maar wel met wanbeheer, vermoedens van corruptie, fraude en ook pestgedrag.

Dat het museum en ook het personeel echt wel beter verdienen, is hier al aangehaald. Net als mijn collega’s hoop ik dat er een krachtige manager aan het hoofd komt. Ik hoop dat die snel kan worden aangesteld en ook echt voor een goed bestuur kan staan, waarbij het personeel gecoacht wordt. Die directeur of die krachtige manager zal dan ook wel het probleem van de cashbetalingen kunnen oplossen, want ik denk niet dat u zich daar als minister mee bezig moet houden.

Een mogelijke centralisatie zie ik veeleer op bestuursniveau. Ik denk niet dat elke lokale antenne een eigen ongetwijfeld betaalde beheerraad nodig heeft. Volgens mij kan dat overkoepelend en daar kijk ik dus naar uit. Ik hoop dat het plan, eens u het hebt voorgelegd, ook vastberaden wordt uitgevoerd.