Mondelinge vraag inzake de verkoop van niet-operationele munitie

9 juli 2013

Mondelinge vraag van mevrouw Karolien Grosemans aan de vice-eersteminister en minister van Landsverdediging over "de verkoop van niet-operationele munitie" (nr. 18917)

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de minister, uit uw antwoord op mijn schriftelijke vraag van 3 mei over de voorraad niet-operationele munitie van Defensie blijkt dat 3,5 kiloton ervan voor de verkoop bestemd is. Dat is bijna een vijfde van de totale stock niet-operationele munitie.

Aan welke criteria moet niet-operationele munitie voldoen voor Defensie besluit ze te verkopen in plaats van te vernietigen? Wordt zij voor de verkoop eerst bewerkt of ontmanteld? Zo ja, in welke gevallen?

Hoeveel niet-operationele munitie wordt verkocht, omdat de bijbehorende wapensystemen niet meer in gebruik zijn bij Defensie? Om welke types munitie gaat het? Hoeveel munitie werd van elk type reeds verkocht? Hoeveel munitie is van elk type nog te koop?

Wordt er ook verouderde munitie verkocht? Zo ja, om welke types munitie gaat het? Aan welke voorwaarden moet die munitie voldoen? Om hoeveel munitie gaat het? Hoe verantwoordt Defensie de verkoop van verouderde munitie? Brengt die verkoop geen risico’s met zich? Zo ja, welke?

Minister Pieter De Crem: Artikel 3 van het Verdrag van Ottawa van 1997 laat Defensie toe om een beperkte hoeveelheid antipersoonsmijnen te behouden in het kader van de opleiding en de training van het ontmijningspersoneel. De hoeveelheden antipersoonsmijnen worden jaarlijks gerapporteerd volgens artikel 7 van het Verdrag van Ottawa. Zodoende bevinden er zich in de operationele voorraad twee soorten mijnen.

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de minister, het betreft een andere vraag.

Minister Pieter De Crem: Excuseer, ik dacht dat u het had over de voorraad van de mijnen.

Karolien Grosemans (N-VA): Ik had het over de niet-operationele munitie.

Minister Pieter De Crem: De antwoorden overlappen een beetje.

In het proces van verkoop van het materieel, dus van niet-operationele munitie, opteert men ervoor de meest voordelige economische oplossing uit te werken. De keuze voor verkoop van de munitie is in eerste instantie natuurlijk afhankelijk van de wettelijke context en vervolgens van de staat van de kritische elementen van de munitie.

Volgens de wet mogen verschillende types munitie niet meer worden verkocht, bijvoorbeeld antipersoonsmijnen of submunitie.

Het criterium “staat van de munitie” betreft de stabiliteit van de munitie. Indien de stabiliteit de komende jaren niet meer gegarandeerd kan worden, dan wordt de munitie opgenomen in een vernietigingsplanning. Defensie hanteert voor de op de verkooplijst hernomen munitie de norm dat zij nog minstens zeven jaar stabiel blijft voor manipulatie, transport en stockage.

Een derde voorwaarde is dat de munitie economisch verkoopbaar moet zijn. Een deel van de niet-operationele munitie bestaat namelijk uit munitie waarvan het wapensysteem uit omloop werd genomen door Defensie, maar dat nog in gebruik is bij andere naties, wat voor potentiële kopers kan zorgen. De munitie wordt verkocht in de staat waarin ze zich bevindt. Er worden nooit aanpassingen op munitie uitgevoerd, opdat die verkoopbaar zou worden. De 3 500 ton, die vandaag hernomen zijn op de verkooplijst, zijn afkomstig van wapensystemen die niet meer in gebruik zijn. Hiervan is 12 % afkomstig van munitie voor kleine wapens, 2 % is mortiermunitie, 81 % is munitie voor kanonnen en houwitsers, 4 % granaten en 1 % pyrotechnische munitie.

In 2012 werd 1 200 ton munitie verkocht van staat tot staat, aan andere federale entiteiten en ook aan burgerfirma’s.

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de minister, dank u voor het uitgebreid en duidelijk antwoord. Ik heb geen bijkomende vragen.