Mondelinge vraag inzake de vervanging van de F-16 jachtvliegtuigen (3)

04 oktober 2017

Mondelinge vraag van mevrouw Karolien Grosemans aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "de vervanging van de F-16-jachtvliegtuigen" (nr. 20255)

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de minister, ik heb zelf ook een vraag, die ik heel kort zal houden. Er zijn immers een veertiental vragen. Hoe ver staat het met de vervanging van de jachtvliegtuigen?

 

Minister Steven Vandeput (N-VA): ik op de vragen antwoord, wil ik stipuleren dat wij spreken over de vervanging van een luchtgevechtcapaciteit vanaf 2023, omdat vanaf dan onze F-16's uit roulatie worden genomen. Er is daarvoor in een initieel investeringsbedrag van 3,5 miljard euro voorzien. Dat is het dossier waarover wij spreken.

Overeenkomstig het request for government proposal moesten de regeringsvoorstellen uiterlijk op 7 september 2017 bezorgd worden aan de cel voor de ACCaP-programma's. Op basis van constructieve bilaterale gesprekken met de drie kandidaten die nog in de running zijn, verwachtte de ACCaP-cel nog drie regeringsvoorstellen, maar ze heeft enkel die van het Amerikaanse en Britse, en niet dat van het Franse agentschap ontvangen. Het Franse agentschap heeft Defensie er vooraf niet van op de hoogte gebracht dat het geen voorstel zou indienen en de Franse regering heeft er geen verklaring voor gegeven.

Op 6 september heeft de Franse minister van Defensie mij geschreven om ons land een veelomvattend strategisch partnerschap inzake jachtvliegtuigen voor te stellen. De voorgestelde pistes komen overeen met de eisen van het request for Government Proposal. Ik zie dus geen reden waarom Frankrijk geen gedetailleerd regeringsvoorstel zou kunnen indienen.

Dat gezegd zijnde, heb ik niettemin aan de defensiestaf en aan een extern advocatenbureau dat gespecialiseerd is in overheidsopdrachten, gevraagd om na te gaan wat de juridische waarde is van de brief die ik van mijn Franse collega mocht ontvangen.

Wij kunnen enkel vaststellen dat de Fransen niet wensen deel te nemen aan de competitie, zoals die met de beslissing van de Ministerraad van 17 maart, na positief advies van de commissie voor de Legeraankopen- en verkopen, werd gedefinieerd. Het is aan de regering om te beslissen wat er voort moet gebeuren met de brief van mijn Franse collega.

Ik herinner eraan dat de regering heeft beslist dat Defensie een competitie moet organiseren om de vervanger van de F-16 te kiezen. De regering heeft eveneens de gunningscriteria hiertoe bepaald, inclusief het gewicht van elk criterium. Dat kunt u allemaal nalezen in het RfGP op mijn website. Aangezien het hier om een competitie gaat, moet Defensie op dezelfde manier met de kandidaten omgaan, en wel volgens de regels die in het RfGP vermeld staan. Daarbij moet Defensie de grondbeginselen van de verdragen van de Europese Unie respecteren, zijnde de principes van transparantie, gelijkheid van behandeling en niet-discriminatie. Blijven onderhandelen met Frankrijk over dezelfde inhoudelijke elementen als in de wedstrijd, met andere woorden in het kader van het RfGP, zou mijns inziens een inbreuk zijn op die principes. Het zou de Belgische Staat blootstellen aan kritiek en rechtsvervolgingen.

Dus, heel duidelijk, het Franse aanbod maakt geen deel uit van de competitie.

Defensie heeft dus twee voorstellen ontvangen die conform de eisen van het RfGP werden ingediend: een Amerikaans en een Brits (in naam van de vier Europese landen die betrokken zijn bij Eurofighter). Die voorstellen werden geschreven toen er nog drie kandidaten in de running waren en de concurrentie dus verzekerd was.

Men kan een kandidaat niet verplichten om te reageren op een offerteaanvraag of de eigen behoeften aanpassen om de kandidaten tevreden te stellen, zo niet dreigt men een product te krijgen dat niet aan de vereisten voldoet. Het is niet vreemd dat een kandidaat zich voor de indiening van de offertes terugtrekt. Hoe duidelijker de criteria van het bestek zijn, hoe gemakkelijker de analyse is.

Laat ik dan ook nog een keer duidelijk stellen dat het niet is omdat een kandidaat beslist om niet deel te nemen aan een wedstrijd, dat de specificaties van de overheidsopdracht daarom ‘gestuurd’ zouden moeten zijn. Geen enkele kandidaat waarmee wij gesproken hebben, heeft daarop allusie gemaakt.

In dat verband wens ik ook te onderstrepen dat de brief van mijn Franse collega niet de minste allusie bevat op het sturen van de competitie in de richting van een welbepaalde kandidaat, zoals door sommigen ten onrechte wordt beweerd. Wie met dergelijke kritiek komt, doet er beter aan om eerst het RfGP, dat integraal op mijn website gepubliceerd staat, inhoudelijk te analyseren en dan bewijs te leveren.

Wat de vraag om inzage van de ontvangen offertes betreft, kan ik u meedelen dat de wetgeving niet toestaat dat de aanbestedende overheid in de huidige fase van het proces inzage geeft in de ontvangen documenten; ikzelf dus ook niet.

Nu we offertes ontvangen hebben, zitten we in de zogenaamde validatiefase. Ook in die fase volgen we de timing en het proces zoals die beschreven staan in het RfGP. Er werden ondertussen een 30-tal experts van Defensie en van de FOD Economie aangesteld om het ACCaP-programmabureau met reviewteams bij te staan voor het verdere verloop van de procedure. Aan al die mensen werd de validatiemethode uitgelegd, zodat iedereen op dezelfde manier werkt. De validatiemethode werd trouwens onder verzegelde enveloppe aangeboden aan het Rekenhof en aan de inspecteur van Financiën zodat later kan geverifieerd worden of iedereen correct en volgens de afgesproken regels heeft gewerkt. Enkel de inspecteur van Financiën heeft de enveloppe aanvaard en in bewaring genomen.

De experts nemen momenteel kennis van de ontvangen offertes, elk op hun domein van specialiteit, zonder kennis te hebben van de onderdelen van hun collega’s. Het komt er in die fase op aan om na te gaan of de offertes coherent, volledig en duidelijk zijn. Indien nodig, zal het programmabureau bijkomende vragen stellen aan de kandidaten om de offerte te verduidelijken.

Zodra deze fase achter de rug is, zal er aan de kandidaat een best and final government proposal worden gevraagd. Dat is niet een tweede kans om een voorstel in te dienen maar een actualisering van het aanvankelijke voorstel, die tijdens de besprekingen in de validatiefase is geconsolideerd.

Een best and final offer wil niet zeggen dat kandidaten een tweede kans krijgen om een offerte in te dienen. Het gaat om een best and final offer in de echte betekenis van het woord.

Deze voorstellen moeten worden ingediend tegen 14 februari 2018. Op die datum worden de onderhandelingen met de kandidaten afgesloten en starten deskundigen van Defensie en de FOD Economie met de evaluatie. Op basis van die evaluatie zullen er met redenen omklede aanbevelingen aan de regering worden voorgelegd.

Dat betekent dat vanaf 14 februari de deuren opnieuw dichtgaan en er niet meer onderhandeld wordt. Vanaf dan worden de best and final offers geëvalueerd.

De ontwikkeling van een gevechtsvliegtuig is een proces dat vaak tientallen jaren in beslag neemt. De Frans-Duitse initiatieven zijn niet de eerste in hun soort want er zijn al verschillende gemeenschappelijke programma's voor de ontwikkeling van een gevechtsvliegtuig in het leven geroepen: de Jaguar, de Tornado en recenter nog de Eurofighter Typhoon.

Voor deze Europese initiatieven moeten we zeker veel aandacht hebben, wanneer deze beogen de collectieve veiligheid van Europa en de NAVO te verhogen.

Ik blijf dan ook alert op de gevolgen die aan deze Frans-Duitse verklaring zullen worden gegeven.

Voor de volledigheid geef ik mee dat wij spreken over een tijdlijn naar 2040, een beetje later dan 2023 dus.

Vliegtuigen leasen in afwachting van de ontwikkeling van een nieuw vliegtuig is weinig zinvol. Een dergelijke ontwikkeling kan tientallen jaren in beslag nemen. Wij spreken op zijn minst over 17 jaar. België kan de technologie met een geleasd toestel niet alleen bijhouden en daarom zoeken wij in de eerste plaats een partnership.

 

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de minister, ik dank u voor uw toelichting.

Graag geef ik ook enkele elementen van repliek, zeker ook tegenover de commissieleden.

Ik ervaar ook voortdurend het wantrouwen van de linkerzijde — Groen, de sp.a en daarnet ook de PS. Plots roepen de procedure en het lastenboek vragen op.

Ik herinner eraan dat zowel de procedure als het lastenboek conform de Belgische en Europese wetgeving met betrekking tot de overheidsopdrachten zijn opgesteld. Zij hebben de zegen gekregen, niet alleen van de inspecteur van Financiën maar ook van Buitenlandse Zaken, Economische Zaken, de Ministerraad en onze eigen bevoegde parlementaire commissie. Daar wil ik iedereen even aan herinneren.

Wij hebben in de bevoegde commissies ook uitvoerig over het dossier gedebatteerd. De publicatie is in alle transparantie gebeurd, wat trouwens een unicum is voor een dergelijke grote overheidsopdracht. Indien er opmerkingen of klachten zijn, kan men maar beter in alle transparantie en zeker met bewijzen naar voren komen. In het andere geval moet men zwijgen en stoppen met de verdachtmakingen.

Over het verloop van de competitie wil ik nog meegeven dat het niet meer dan normaal is dat in een competitie kandidaten afvallen. Daarom heet het ook een competitie.

De vraag die ik nog aan het kabinet wil stellen, is de volgende. Is het zo vreemd dat in de eindfase slechts twee kandidaten overblijven of is dat in verschillende landen misschien wel het geval?

Voorts heb ik nog geen enkele officiële mededeling gezien waarin staat dat de kandidaten die zich terugtrokken, dat deden wegens onze administratie en ons lastenboek.

Tot daar mijn repliek.