Mondelinge vraag inzake de vervanging van de F-16's

12 december 2013

Mondelinge vraag van mevrouw Karolien Grosemans aan de vice-eersteminister en minister van landsverdediging over "de vervanging van de F-16's" (nr. P2130)

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de vice-eersteminister, investeringen zijn en blijven een probleem voor Defensie. Met minister De Crem aan het roer wordt er stevig bespaard, maar wordt er minimaal geïnvesteerd.

Grote investeringsdossiers, zoals nu de vervanging van de F-16’s, worden op de lange baan geschoven. Kop in het zand en vooral niet zien wat er op ons afkomt.

Mijnheer de minister, in oktober zei u in de commissie, en ik citeer: “De exacte dimensionering van de vloot zal gebeuren op basis van het ambitieniveau dat voortvloeit uit de politieke en militaire strategische beleidsdocumenten.”

Gisteren in de Koninklijke Militaire School, blijkbaar de plaats waar wij moeten zijn om de mening van de minister te horen, klonk er plots een heel andere taal. Ik citeer: “In mijn voorstel gaat het om veertig toestellen die heel inzetbaar zijn, die tegemoetkomen aan de noden en die dertig, veertig of vijftig jaar kunnen ingezet worden bij Defensie.”

Voor antwoorden op cruciale defensievragen moeten wij dus in de Koninklijke Militaire School zijn en niet meer in het Parlement.

Mijnheer de minister, ik vraag mij af van wie het voorstel van die veertig toestellen komt. Komt het van uw defensiestaf? Komt het na gesprekken met bijvoorbeeld Nederland? Is het op basis van een studie of is het een vrije denkoefening? Het is belangrijk dat wij deze documenten kunnen inkijken.

Heel essentieel in deze discussie is het prijskaartje. Willen wij de F-16’s vervangen? Waar zal het geld vandaan komen? U stelt voor om veertig toestellen te kopen. Ik zou graag weten hoe u die financiering ziet.

Ongetwijfeld hebt u dit op voorhand doorgesproken met uw collega’s binnen de regering. Ik heb echter de indruk dat collega’s Van der Maelen en Lacroix niet in cc stonden. Christophe Lacroix zegt: “C’est clairement njet.”

Dirk Van der Maelen liet al in de pers optekenen “De Crem spant de kar voor het paard. Wij hebben acht dure opvolgers voor de C-130 gekocht. Het is als klein landje veel te duur om ook nog gevechtsvliegtuigen aan te schaffen.”

U zei gisteren in Terzake dat er wel degelijk een meerderheid voor is. Zit de regering op één lijn? Ik heb het gevoel van niet.

Op deze drie pertinente vragen krijg ik graag een antwoord.

Minister Pieter De Crem: Mijnheer de voorzitter, ik dank alle collega’s voor hun vragen. Ik verwijs naar het regeerakkoord. In uitvoering van het regeerakkoord wordt de vervanging van grote uitrustingen, namelijk fregatten, mijnenjagers en de F-16-vloot, bij Defensie bestudeerd.

Ik haal het regeerakkoord nog eens aan: “In het verlengde van het geactualiseerd investeringsplan, dat door de minister van Landsverdediging zal voorgelegd worden, zal men nadenken over de problematiek van de vervanging op lange termijn van de grote uitrustingsprogramma’s.” Het geactualiseerd leveringsplan of investeringsplan 2012-2014 werd aan de Ministerraad voorgelegd en is ondertussen in grote mate gerealiseerd. Vaak mocht ik ter zake de impressies ontvangen van heel wat collega’s in het Parlement, die interveniëren namens hun politieke partijen.

Met betrekking tot de opvolging van de F-16’s is een beslissing voor de volgende legislatuur in het vooruitzicht gesteld. De handhaving van deze capaciteit past in de politiek van de zogenaamde burden- and risk-sharing, de lasten- en risicoverdeling, le partage du fardeau et du risque, met onze NAVO- en EU-partners. Ik had de gelegenheid om te zeggen waarover de EU-Raad die volgende week zal plaatsvinden, zich zal buigen; dit ging niet over een dergelijke capaciteit.

Indien ons land op internationaal vlak een rol van betekenis wil blijven spelen, iets waarover velen het met ons eens zijn, dan is het onbetwistbaar dat België deze capaciteit zal moeten blijven handhaven. Het is evident dat België zonder gevechtsvliegtuigen irrelevant zal zijn op defensie- en veiligheidsvlak. Dat heb ik ook gehoord van collega’s, van mensen die hier op dit spreekgestoelte zijn tussengekomen, ook collega’s van u, mijnheer Van Quickenborne, die dat nog in de commissie hebben benadrukt. Ik wil u trouwens ook zeggen dat uw vicepremier op de hoogte was van wat gisteren in de Koninklijke Militaire School werd verteld. Ik kan u het tijdstip van het telefoongesprek meedelen.

De ervaring die onze militairen ermee hebben opgebouwd is uniek en is uiterst waardevol. De operaties met onze F-16’s hebben onze bevolking het belang en de performantie van deze capaciteit in het kader van een hervormde en inzetbare defensie aangetoond. Dit werd recent nog bewezen in Afghanistan, waar deze toestellen ondertussen al vijfduizend succesvolle zendingen hebben uitgevoerd. U bent er een paar keer geweest, mijnheer De Vriendt; ik heb u daar niet gezien als aanstoker van grote betogingen tegen het inzetten van onze F-16’s. Ook in Libië hebben zij 626 zendingen uitgevoerd, die alle even succesvol waren.

Het zijn niet enkel de toestellen die aan de basis liggen van dit succes, maar uiteraard ook de opleiding, de ervaring en de mentaliteit van het personeel en van de piloten.

(In het Frans:) Mijnheer Dallemagne, er is voorzien in een gespreide uitfasering van de F-16’s tussen 2023 en 2028. Als het departement Landsverdediging de operationele continuïteit van zijn luchtgevechtscapaciteit wil waarborgen, moet het vanaf 2025 nieuwe toestellen aankopen om tegen 2029 over een volledig vernieuwde vloot te beschikken.

(In het Frans:) Met de ondertekening van een intentieverklaring over de gezamenlijke bewaking van het luchtruim van de Benelux heeft België ingestemd met een verdeling van de bevoegdheden. We moeten ons op internationaal vlak als een loyale partner beschikbaar blijven stellen.

(In het Frans:) Teneinde die capaciteit te kunnen verzekeren, moeten we 40 toestellen aankopen. België had oorspronkelijk 116 en vervolgens nog eens 44 F-16’s aangekocht, wat het totaal op 160 brengt.

De kostprijsgegevens die in algemeen toegankelijke bronnen circuleren, variëren naargelang de aard en de volledigheid van de gegevens. Actueel handhaaft Defensie voor de budgettaire raming van een vervangingstraject 80 à 100 miljoen euro per toestel, ongeacht het type toestel.

De toestellen in kwestie hebben een lange levenscyclus. Een dergelijke investering moet dan ook op een termijn van dertig à veertig jaar worden gezien.

Bovendien zijn de investeringen die ons land in de F-16’s stopte, meer dan eens en wellicht in drievoud door de Belgische economie terugverdiend. Zij hebben tevens onze bedrijven op het vlak van werkgelegenheid de toegang gegeven tot een enorme schat aan hoogtechnologische kennis.

Ik citeer de FOD Economie in een rapport van 2008 over het industrieel participatiebeleid in het kader van defensiebestellingen: “Moest het F-16-programma geen coproductieverbintenissen hebben ingehouden voor de Belgische industrie, dan zou hoogstwaarschijnlijk geen aeronautische industrie meer aanwezig zijn in België. Verder heeft de knowhow, opgedaan in dat programma, de betrokken firma’s toegelaten succesvol deel te nemen aan de productie van burgervliegtuigen en aan ruimtevaartprogramma’s.”

Ik ben er ten stelligste van overtuigd, ook na de reacties en beschouwingen die ik sinds gisteren over het onderwerp heb mogen ontvangen, dat een dergelijke beslissing, natuurlijk na een parlementair debat, op een meerderheid in het Parlement zal kunnen rekenen.

Ik wil, ten slotte, voor alle volledigheid nog melden dat de directe en indirecte tewerkstelling in de aeronautische sector zevenduizend personen betreft, waarvan een deel in de omgeving van Kortrijk, mijnheer Van Quickenborne, en natuurlijk een niet onbelangrijk deel in het zuiden van het land. Een groot deel van deze tewerkstelling betreft trouwens hoogtechnologische functies, waarbij de ontwikkeling van schermtechnologie een speerpunt is.

Mijnheer de voorzitter, aldus rond ik mijn antwoord af.

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de minister, uw ploeg is hopeloos verdeeld. Iedereen neemt hier een ander standpunt in. Open Vld zegt dat u het dossier verkwanselt, cdH zat hier vooraan verontwaardigd en sp.a hoef ik niet meer te citeren. Mijnheer de minister, u beroept zich op het regeerakkoord, maar daarvan bestaan blijkbaar verschillende lezingen. Misschien was mijn vraag verkeerd. Ik vroeg of de regering het oneens was over het dossier. Ik had allicht beter gevraagd waarover de regering het wel nog eens is. Mijnheer de minister, ik zie een lonesome cowboy en ik zie ook eenlonesome party. Mijnheer de minister, u blijft erbij dat u een meerderheid hebt.

Er is dus misschien toch nog iets positiefs aan heel de discussie: het is nu wel heel duidelijk dat Di Rupo II onmogelijk wordt.