Mondelinge vraag inzake gelijkgestelde periodes

11 januari 2011

Mondelinge vraag van mevrouw Karolien Grosemans aan de minister van Pensioenen en Grote Steden over "gelijkgestelde periodes" (nr. 1187) 

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, mijn vraag gaat over de gelijkgestelde periodes, de dagen die meetellen voor de berekening van het pensioen zonder dat men echt bijdraagt. Sommige van die gelijkgestelde periodes zijn volgens mij betwistbaar. De overvloed aan gelijkgestelde periodes waarin dus geen bijdragen aan de sociale zekerheid worden betaald, ondergraven immers de financiële draagkracht van ons pensioenstelsel. Het is onvermijdelijk om het aantal gelijkgestelde perioden in te perken. Het beperken van de gelijkgestelde periodes zal wel slechts op langere termijn een merkbaar effect hebben. Mijnheer de minister, deelt u deze redenering? Is het onvermijdelijk om het aantal gelijkgestelde periodes in te perken? Zo ja, welke periodes van gelijkstelling overweegt u te laten uitdoven?

Minister Michel Daerden: Mijnheer de voorzitter, mevrouw Grosemans, het is waar; onder bepaalde voorwaarden wordt voor de berekening van het pensioen voor werknemers, zelfstandigen of benoemde ambtenaren rekening gehouden met periodes van inactiviteit. De vergoeding waarmee rekening wordt gehouden voor deze periodes hangt af van de periode. Ze kan voortkomen uit een gegarandeerd minimumsalaris, een fictief salaris of inkomen van een zelfstandige of van een forfaitair loon. Ik laat u de lijst met de voornaamste gelijkstellingen per regeling bezorgen. Er bestaan perioden van onvrijwillige inactiviteit, bijvoorbeeld ten gevolge van ziekte, een arbeidsongeval of werkloosheid.

Als men zou beslissen de lijst met gelijkgestelde perioden in te perken, dan kunnen die beperkingen enkel voor de toekomst gelden. Men mag de spelregels niet veranderen tijdens het spel. Bovendien zijn de gelijkgestelde perioden het resultaat van het sociaal overleg. Ze kunnen slechts gewijzigd worden op voorstel van de Nationale Arbeidsraad of de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven.

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, in uw groenboek wordt de problematiek van de gelijkstellingen geschetst. Het is duidelijk een van de grote pijnpunten in onze pensioenreglementering. Het pensioenstelsel is niet alleen onderdeel van de sociale zekerheid, maar ook een verzekering in de pure zin van het woord. Het begrip verzekering impliceert niet alleen een belangrijk solidariteitsaspect, maar ook dat er een evenwicht moet worden nagestreefd tussen inkomsten – bijdragen – en uitgaven – uitkeringen. Dit evenwicht is in onze huidige manier van doen volledig zoek. Wij hebben soms om evidente sociale redenen en soms om onbedwingbare sinterklaasneigingen steeds meer periodes zonder tewerkstelling, waarbinnen dus geen bijdragen worden betaald, gelijkgesteld met gewerkte periodes. Het lijstje van gelijkgestelde periodes is enorm lang. Dat hangt ook in grote mate af van het statuut, werknemer, ambtenaar of zelfstandige. Op die manier hebben wij echter wel de fundamenten van ons pensioensysteem ondergraven. Ik ben blij dat in het groenboek daaromtrent al heel pertinente vragen worden gesteld. Het argument dat het hier gaat om een beleidsoptie is echter onterecht. De onhoudbaarheid van ons systeem van gelijkgestelde periodes is volgens mij geen politieke uitspraak, maar een objectieve waarheid.