Mondelinge vraag inzake het aantal zelfdodingen binnen Defensie

19 oktober 2011

Mondeling vraag van mevrouw Karolien Grosemans aan de minister van Landsverdediging over "het aantal zelfdodingen binnen Defensie" (nr. 5958) 

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, op 18 juli kreeg ik als antwoord op mijn schriftelijke vraag over zelfdoding bij militairen dat het aantal zelfdodingen en pogingen tot zelfdoding onder het medische geheim vallen. Hun aantal is onbekend. 

Op 25 augustus verschenen er via de sociale dienst van Defensie en de arbeidsinspectie echter wel cijfers in de kranten over het aantal zelfdodingen in het Belgisch leger. Uit deze cijfers blijkt dat het aantal zelfdodingen binnen Defensie stijgt. In 2008 waren er 5 zelfdodingen onder 37 000 personeelsleden. In 2010 is dit gestegen tot 19 zelfdodingen per 36 000 medewerkers.

Kolonel-geneesheer Lemmens zegt zelfs dat er inzake preventie van zelfdoding helemaal niets gedaan wordt. Ik wil u dan ook graag de volgende vragen stellen.

Ten eerste, bevestigt u de cijfers die kolonel-geneesheer Lemmens naar voren schuift? Indien ja, hoe verklaart u de sterke stijging van het aantal zelfdodingen bij Defensie?

Ten tweede, deelt Defensie de analyse van kolonel-geneesheer Lemmens dat er onvoldoende maatregelen zijn ter preventie van zelfdoding? Sinds wanneer worden die maatregelen genomen? Werden er intussen al een evaluatie van de maatregelen gedaan? Zo ja, wat is de uitkomst ervan? Ik dank u alvast voor uw antwoord.

Minister Pieter De Crem: Mijnheer de voorzitter, collega’s, de preventie van zelfdoding maakt deel uit van een geheel van preventiemaatregelen, psychosociale hulp en/of begeleiding, dat aan het personeel wordt aangeboden.

De primaire preventie begint bij de selectie van de kandidaten die geëvalueerd worden op hun geschiktheid voor het militaire beroep. Daarnaast krijgen de militairen in de voorbereidingsfase van elke operatie een training om hen met de psychologische en sociale uitdagingen van de zending te laten omgaan.

Indien er geestelijke gezondheidsproblemen worden vastgesteld bij militairen, en er een risico bestaat bij deelname aan gewapende activiteiten, wordt er overgegaan tot de tijdelijke ongeschiktheid wapens te hanteren, tot de betrokkenen opnieuw geschikt worden bevonden. Zij worden doorverwezen naar het Centrum voor Geestelijke Gezondheid, waar zij door specialisten worden opgevangen en begeleid. Het Centrum stelt bovendien een brochure ter beschikking om de betrokken militairen en collega’s die geconfronteerd worden met een poging tot zelfdoding gepast bij te staan.

Daarnaast levert de sociale dienst van Defensie eerstelijnshulp bij problemen, en dit in de vorm van informatie, advies en onder andere psychologische ondersteuning. Defensie beschikt ook over een netwerk van lokale vertrouwenspersonen tot wie het personeel zich kan wenden bij problemen van psychosociale aard.

Defensie implementeert nu een psychosociale risicoanalyse, als onderdeel van het dynamisch risicobeheersysteem. De registratie van incidenten van psychosociale aard maakt deel uit van deze risicoanalyse, om zo eventuele problemen beter in kaart te kunnen brengen.

Voorts maakt een officier-psycholoog van onze defensiestaf deel uit van de pas opgerichte NAVO-werkgroep die zich buigt over de preventie van zelfdoding.

Tot slot, er wordt getracht het aanbod van hulpmiddelen via laagdrempelige communicatie aan te reiken aan de personeelsleden van Defensie. Het elektronisch welzijnsloket dat op mijn vraag werd geïnstalleerd, is daar een voorbeeld van, en werkt naar behoren.

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de minister, u somde ter zake een aantal maatregelen op, waaruit blijkt dat er wel degelijk een en ander wordt gedaan. Als er toch zo’n ernstige stijging is van het aantal zelfdodingen is – al heb ik de verklaring daarvoor nog niet gehoord – lijkt het mij toch nuttig om een evaluatie te maken van die maatregelen. In die zin hoorde ik een ontwijkend antwoord. Er moet worden nagegaan of de maatregelen wel efficiënt zijn.

Jammer genoeg kreeg ik geen antwoord op mijn schriftelijke vraag. Ik heb opzoekingen gedaan met betrekking tot het medisch geheim ter zake. Dat is enkel ter bescherming van de patiënt zelf. Geanonimiseerde informatie valt daar niet onder. Natuurlijk moet er geheimhouding zijn ten aanzien van de patiënt, maar aan wetenschappelijke instanties mag ook informatie worden meegedeeld mits anonimisering. Ik meen dat ik ook die informatie had mogen krijgen. Ik vind het spijtig dat de diensten zich hierachter verschuilen en daardoor het nauwelijks bestaan van een degelijk beleid trachten te verbergen.