Mondelinge vraag inzake het ambtshalve onderzoek van de IGO, de retroactieve toekenning en de verjaring

21 juni 2011

Mondelinge vraag van mevrouw Karolien Grosemans aan de minister van Pensioenen en Grote Steden over "het ambtshalve onderzoek van de IGO, de retroactieve toekenning en de verjaring" (nr. 5401)  

Karolien Grosemans (N-VA): De wet bepaalt dat de Rijksdienst voor Pensioenen bij iedereen op de leeftijd van 65 jaar van ambtswege nagaat of de persoon recht heeft op de Inkomensgarantie voor Ouderen (IGO). De RVP doet dat sinds 2010 via een automatische procedure voor iedereen, los van het feit of de persoon wel of niet vervroegd met pensioen is gegaan.

De RVP is ook begonnen met de screening van personen die voor 1945 geboren zijn. De dienst begint met de jongste gepensioneerden om dan geleidelijk in de tijd terug te keren. Desgevallend wordt het IGO met terugwerkende kracht toegekend.

De wetgeving bepaalt echter dat er een verjaringstermijn van tien jaar is. Hoe rijmt men dat met de retroactieve toekenning?

Minister Michel Daerden: De RVP onderzoekt het recht op IGO op de leeftijd van 65 jaar, ongeacht het feit of de persoon al op pensioen is of niet. De jaren zullen in overweging worden genomen. De RVP moet de wet van 24 december 2002 toepassen, wat betekent dat de terugwerkende kracht beperkt is tot tien jaar.

Aangezien het om een inhaaloperatie gaat waarvan de fasering door de administratie wordt bepaald, zou ik het normaal vinden dat de verjaring pas ingaat vanaf 1 juli 2001, de datum waarop de IGO van kracht is geworden.