Mondelinge vraag inzake het kwaliteitscharter voor dienstenchequebedrijven

26 april 2011

Mondelinge vraag van mevrouw Karolien Grosemans aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, over "het kwaliteitscharter voor dienstenchequebedrijven" (nr. 2471)

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, op mijn mondelinge vraag over de kwaliteitsnormen in de wetgeving inzake de dienstencheques, gesteld in de commissie voor de Sociale Zaken van 26 januari, gaf u aan dat u net voor de val van de regering enkele nieuwe initiatieven wou opstarten opdat dienstenchequebedrijven meer tijd en middelen in de opleiding van hun personeel zouden investeren. U sprak toen over een kwaliteitscharter.

Ik juich een dergelijk initiatief uiteraard toe, maar ik had graag wat meer verduidelijking gekregen. Wat bedoelt u precies met het kwaliteitscharter? Hoe ziet u dit in de praktijk? Om welke maatregelen en voorstellen gaat het, zodat dienstenchequebedrijven meer middelen in de opleiding van hun personeel zouden investeren?

Minister Joëlle Milquet: Mijnheer de voorzitter, het kwaliteitscharter voor dienstencheques is een van de pistes waarover werd nagedacht om de kwaliteit van de jobs in die sector te verbeteren. In februari 2010 is een eerste werkgroep hierover samengekomen. Die bestond uit vertegenwoordigers van mijn kabinet, de RVA en de FOD Werk.

Het charter moet een aantal punten bevatten die bijdragen tot meer kwaliteitsvolle jobs, zoals bijvoorbeeld met betrekking tot de inhoud van de overeenkomst die de gebruiker aan de onderneming bindt, informatie over het omkaderingspersoneel, het aantal en de aard van de opleiding. Een punt wordt gewijd aan verzekeringen en een ander punt aan de bezoeken van de werkgevers op de werkvloer. Er wordt bijvoorbeeld ook een punt voorbehouden voor duurzame ontwikkeling en voor diversiteit. Het gaat dus om veel verschillende punten. Het was de bedoeling om het charter via een KB verplichtend te maken, maar de werkzaamheden zijn stilgevallen met de val van de regering.

Ik zal de verschillende voorstellen van aanvullende maatregelen in de strijd tegen de fraude aan de regering trachten voor te leggen. In antwoord op het tweede deel van uw vraag wijs ik erop dat er verschillende mogelijkheden bestaan om de vormingsinspanningen van werknemers te bevorderen. Er is natuurlijk de mogelijkheid van het huidige opleidingsfonds dienstencheques. Al sinds 2007 kunnen via voornoemd fonds, dat door de federale regering wordt gefinancierd, de vorminginspanningen van de dienstenchequebedrijven voor hun werknemers worden terugbetaald. Per besluit van mei 2009 wou ik de werking van dit fonds op verschillende vlakken verbeteren door met name de opleidingen die worden terugbetaald, uit te breiden. Vooral de opleidingen die zorgen voor een duurzame inschakeling van dienstenchequewerknemers op de arbeidsmarkt, zullen voortaan in het fonds worden opgenomen. Een opleidingsverstrekker zelf een aanvraag laten indienen om de opleiding goed te keuren, vermindert de administratieve rompslomp voor de dienstenchequewerkgever.

Ook kan aan nieuwe dienstenchequebedrijven toegang tot het fonds worden verleend en kan een minimumbudget van 1 000 euro worden verstrekt voor alle dienstenchequebedrijven, zelfs voor de kleinste. Tevens kunnen de regels van het fonds worden vereenvoudigd, wat het fonds toegankelijker moet maken en ervoor moet zorgen dat het budget beter wordt besteed. Wij kunnen natuurlijk de dotatie van het fonds nog verhogen. Wij kunnen de erkende ondernemingen bijvoorbeeld ook verplichten een beroep te doen op het fonds, wat trouwens een van mijn voorstellen is.

Een andere mogelijkheid is om van de verplichting een vormingsplan te hebben, een erkenningsvoorwaarde te maken. Het uitwerken van zo’n plan kan ook een voorwaarde worden om de erkenning te behouden. Dit zal een van mijn volgende voorstellen zijn. Het vormingsplan moet in opleidingen voorzien in verschillende domeinen zoals het gebruik van mogelijk schadelijke producten, hygiëne- en veiligheidsregels, interpersoonlijke relaties en zelfs een opleiding tot het rijbewijs.

Deze structurele beslissingen moeten worden genomen door de volgende regering, maar ik ben natuurlijk bereid om na te gaan wat nu al gerealiseerd kan worden, in overleg met het bevoegde paritair comité. Tijdens de discussie over de aanvullende maatregelen zal ik deze verschillende voorstellen toelichten.

Karolien Grosemans (N-VA): Mevrouw de minister, wij hebben inderdaad nog steeds een regering in lopende zaken, maar het is positief dat wij in afwachting van een nieuwe regering reeds gesprekken voeren en dat er voorstellen worden geformuleerd, zeker in verband met de omkadering van het personeel, het opleidingsfonds en de opleidingsplannen.