Mondelinge vraag inzake posttraumatische stressstoornis bij militairen

22 april 2015

Mondelinge vraag van mevrouw Karolien Grosemans aan de minister van Defensie, belast met Ambtenarenzaken, over "posttraumatische stressstoornis bij militairen" (nr. 3733)

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, vorige week ontving ik een antwoord op een schriftelijke vraag in verband met het vroegtijdig terughalen van militairen op buitenlandse missie. Daaruit blijkt dat er in 2014 27 militairen werden gerepatrieerd vanwege medische redenen en dat dit in geen van de gevallen gebeurde vanwege posttraumatische stressstoornis of PTSS.

Uit antwoorden op eerdere vragen blijkt dat er de voorbije jaren geen enkele militair om die reden werd gerepatrieerd. Posttraumatische stressklachten kunnen natuurlijk ook later optreden, maar in ons land bestaat er geen systematische screening van militairen die hebben deelgenomen aan een risicovolle missie, hoewel zij een verhoogd risico lopen.

Uit mijn gesprekken met psychologen van Defensie blijkt dat zelfs militairen die met psychologische klachten bij het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg van Defensie aankloppen, niet specifiek op PTSS worden gescreend. Defensie heeft dus geen zicht op het aantal militairen met PTSS, ook al omdat sommige militairen liever hulp zoeken in de burgersector of omdat die stap voor hen zelfs te groot is.

Mijnheer de minister, ik wil aan de hand van volgende vragen graag te weten komen hoe Defensie omgaat met deze problematiek. Waaruit bestaat het huidig beleid van Defensie inzake PTSS? Op welke cijfers kan Defensie zich baseren bij het uitwerken van het beleid? Worden er cijfers uit het buitenland of van andere risicogroepen uitgewisseld of bestudeerd?

U hebt eerder in de plenaire vergadering gezegd dat u aan de Defensiestaf hebt gevraagd om een studie te maken over structurele omkadering voor het personeel dat na een operatie terugkeert. Wordt daarbij de mogelijkheid onderzocht om een systematische screening in te voeren van alle militairen die hebben deelgenomen aan zware risico-operaties? Zo nee, waarom niet?

ln het buitenland wordt een adaptatiesas ingezet als middel om PTSS te bestrijden. Wordt de mogelijkheid van een adaptatiesas onderzocht? Zo nee, waarom niet?

Minister Steven Vandeput: Mevrouw Grosemans, het beleid van Defensie met betrekking tot het posttraumatische stresssyndroom, PTSS, kadert in het beleid inzake het psychosociaal welzijn van de militairen, dat ik onlangs nog heb toegelicht in de commissie van 25 februari 2015. De laatste zes maanden werden 6 nieuwe patiënten voor posttraumatische stresssyndromen behandeld in het Centrum voor Geestelijke Gezondheid van het Militair Hospitaal Koningin Astrid op een totaal van 199 patiënten.

De incidentie van PTSS bij de uitgestuurde militairen kan inderdaad niet precies becijferd worden, omdat, zoals u het zelf hebt aangehaald, een deel van de patiënten zoekt hulp buiten Defensie. Als wij kijken naar het Centrum voor Geestelijke Gezondheid van het Militair Hospitaal Koninging Astrid, stellen wij vast dat van de patiënten die op consultatie komen, er 40 % op eigen initiatief komen, dus zonder doorverwijzing.

De problematiek van posttraumatische stressstoornissen wordt bij Defensie van dichtbij opgevolgd en dit in overleg met de collega’s uit de buurlanden. De Belgische cijfers waarover wij beschikken, situeren zich in de grootteorde van de cijfers van de Europese partners.

Zoals eerder vermeld, volgen wij die problematiek van dichtbij op. Thans werken wij aan een programma dat zal toestaan om militairen blootgesteld aan kritische incidenten op individuele basis te onderzoeken na hun terugkeer, enerzijds, en om systematisch alle militairen te screenen op het einde van de zending, anderzijds. Binnenkort zullen wij overgaan tot een eerste testcase.

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de minister, het is zeer verstandig dat u eindelijk goed in kaart hebt gebracht wie daar eigenlijk mee bezig is. Ik weet dat heel wat mensen daarmee bezig zijn. Het Militair Hospitaal Koningin Astrid beschikt over raadgevers, over een dienst mentale operationaliteit, over aalmoezeniers en over maatschappelijke assistenten. Ik verneem van die mensen zelf dat zij eigenlijk niet goed weten wie zich precies met wat bezighoudt en het is dus een goede zaak dat dit alles eindelijk in kaart wordt gebracht.

Het is ook positief dat het eindelijk niet bij woorden zal blijven, maar dat er daden zullen komen. Ik heb in het verleden veel vragen gesteld over PTSS en ik kreeg telkens ellenlange antwoorden op papier, maar daar bleef het bij. Ik ben blij dat er nu een proefproject wordt opgestart.