Mondelinge vraag inzake uitzendarbeid in de verhuissector

23 november 2010

Mondelinge vraag van mevrouw Karolien Grosemans aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, over "uitzendarbeid in de verhuissector" (nr. 1047) 

Karolien Grosemans (N-VA): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, al vele jaren wordt het beroep verhuizer door de VDAB omschreven als een knelpuntberoep. Het is voor bedrijfsleiders niet gemakkelijk om geschikt personeel te vinden. Verhuis is vaak ook een seizoensgebonden activiteit, waarbij de piekperiodes voornamelijk in de zomer vallen. Omdat uitzendarbeid in de verhuissector verboden is, zijn ondernemingen genoodzaakt om bij grotere opdrachten of in piekperiodes personeel van andere bedrijven in onderaanneming aan te nemen. De laatste jaren wordt uitzendarbeid steeds vaker erkend als onontbeerlijk flexibiliteitsinstrument. Meer dan ooit hebben bedrijven nu nood aan flexibiliteit om uit de crisis te geraken. Daarnaast worden in de verhuissector vele laaggeschoolden tewerkgesteld. Daarom kan uitzendarbeid in de verhuissector de toegang tot de arbeidsmarkt voor deze maatschappelijk kwetsbare personen vergemakkelijken. Zijn er nog grondige redenen om het verbod op uitzendarbeid in de verhuissector te handhaven? 

Minister Joëlle Milquet: Mijnheer de voorzitter, het verbod om een beroep te doen op uitzendkrachten in de verhuissector vloeit voort uit artikel 18 van de nationale cao nr. 36. De beweegreden om dit verbod in te voeren hield verband met de zorg om de veiligheid en gezondheid van de werknemers. De sociale partners waren destijds de mening toegedaan dat de handarbeid in de verhuissector van die aard was dat deze niet kon worden toevertrouwd aan werknemers die niet of nauwelijks vertrouwd zijn met de gevaren die eigen zijn aan het werk in deze sector. Het verbod op de inzet van uitzendkrachten in de verhuissector geldt dan ook slechts wat betreft de werklieden, dus de arbeiders.

Zoals u wellicht bekend is, verplicht artikel 4 van de Europese richtlijn betreffende uitzendarbeid de lidstaten om uiterlijk tegen 5 december 2011 een heroverweging te doen van alle verbodsbepalingen en beperkingen op de inzet van uitzendarbeid, na daartoe de sociale partners te hebben geraadpleegd. Waar bedoelde beperkingen en verbodsbepalingen het gevolg zouden zijn van een cao, mag de heroverweging ook worden verricht door de sociale partners die de betrokken cao hebben gesloten. Ik heb per brief van 19 maart 2009 het dossier van de heroverweging aanhangig gemaakt bij de sociale partners in de Nationale Arbeidsraad, die zich thans over deze kwestie buigen.

Daarnaast zal ook de voorzitter van het paritair comité nr. 140 voor Vervoer en Logistiek, dat bevoegd is voor de verhuisondernemingen het betrokken vraagstuk voorleggen aan de sociale partners die vertegenwoordigd zijn in het paritair comité. Indien de sociale partners in dit verband tot de conclusie zouden komen dat het verbod op de inzet van uitzendkrachten in de verhuissector niet langer gerechtvaardigd is, dan is het hun taak om het verbod op te heffen dat zij destijds in cao nr. 36 hebben ingeschreven. Dit dossier is nu dus in handen van de sociale partners. Misschien zullen wij de huidige situatie kunnen wijzigen. 

Karolien Grosemans (N-VA): Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Het gaat hier inderdaad om het omzetten van een Europese richtlijn. In 2008 keurde het Europees Parlement die richtlijn betreffende uitzendarbeid goed. Daarin wordt de belangrijke rol van uitzendarbeid beklemtoond als flexibiliteitinstrument, maar ook als arbeidsmarktinstrument. Het is een oproep aan de lidstaten om de verbodsbepalingen en de beperkingen met betrekking tot uitzendarbeid te herzien en op te heffen. Ik hoop dat de regering die Europese richtlijn snel kan omzetten en de beperking, zoals ten opzichte van de verhuissector, kan schrappen.