Het gaat om taken zoals aanvangsbegeleiding, trajectbegeleiding en interne pedagogische begeleiding. Dat zijn zinvolle opdrachten, maar ze betekenen ook dat een deel van de beschikbare lestijd buiten de klas wordt georganiseerd.

Dat is geen buikgevoel. Administratieve gegevens van de Vlaamse overheid tonen aan dat het aandeel uren buiten de klas de voorbije jaren is toegenomen, vooral in het secundair onderwijs. Die uren worden doorgaans niet apart gefinancierd, maar komen uit hetzelfde omkaderingsbudget. Elke leraar die voor deze taken wordt ingezet, kan op dat moment geen lesgeven.

In het gewoon secundair onderwijs gaat het vandaag om bijna 8 procent van alle ingezette uren. In het buitengewoon secundair onderwijs (opleidingsvorm 4) loopt dat zelfs op tot meer dan 10 procent. In het basisonderwijs blijft het aandeel beperkter, maar ook daar is een stijging zichtbaar tot ongeveer 2 procent. Omgerekend gaat het om tienduizenden uren die niet rechtstreeks naar lesgeven gaan.

Wanneer de beschikbare uren steeds meer buiten de klas worden ingezet, terwijl het aantal leerlingen gelijk blijft, blijven er minder uren over voor les in de klas. Hierdoor worden klassen minder opgesplitst in kleinere groepen, wat in de praktijk leidt tot grotere klasgroepen met meer leerlingen.

Vooral de interne pedagogische begeleiding (IPB) springt in het oog. Deze uren zijn niet wettelijk geplafonneerd en vloeien voort uit de schoolautonomie. Die vrijheid biedt kansen, maar leidt ook tot grote verschillen tussen schoolbesturen. Op het meetmoment van 1 oktober 2024 liepen de uitschieters op tot 25 procent van alle ingezette uren.

Autonomie is een grote troef van ons onderwijs. Maar zonder duidelijke afspraken kan ze onbedoeld leiden tot een groeiend middenkader, terwijl de lespraktijk zelf onder druk komt te staan. Autonomie vraagt verantwoordelijkheid: wie vrijheid krijgt, moet ook kunnen aantonen dat die vrijheid het leren van leerlingen versterkt.